Teken Tips

Op deze website vindt u teken tips, zoals deze in 1985-1986 door mijn vriend Jan Heijenga zijn geschreven. In 2007 heb ik zijn cursus voor het eerst gezien en was onder de indruk van het feit dat hij zo goed kon aangeven waarnaar gekeken moet worden, wat het wezenlijke is, om iets goed weer te geven.

Als kado voor zijn 72e verjaardag heb ik Jan aangeboden deze cursus openbaar te maken middels deze website. Jan van harte gefeliciteerd en ik hoop dat veel mensen er net veel plezier aan beleven als jij dat had toen je deze cursus in elkaar hebt gezet.

Ik nodig iedereen uit om de bij de Reacties zijn/haar ideeën, tips, etc. uit te wisselen met anderen. De opzet is om elkaar te helpen, niet om „vervelende discussies” aan tegaan. Ik behoud me het recht voor om, mijns inziens, ongewenst taalgebruik, ongewenste discussies te verwijderen en personen de toegang tot het forum te ontzeggen.

Joep Bär

Inleiding

Iedereen kan leren tekenen.
Tekenen is het tot ontplooing brengen van een ingeboren, maar nog niet ontwikkeld coördineren van ogen hersenen en handen; uw ogen zien, uw hersenen leggen het beeld vast en uw handen geven het weer.

Het maken van een tekening of een schilderij wordt door een aantal mensen met een waas van geheimzinnigheid omgeven: als zou je pas iets aanvaardbaars kunnen produceren wanneer je iets moois hebt met een of andere muse. Dat is natuurlijk onzin. Natuurlijk zijn er in de loop der tijden kunstenaars geweest die een onnavolgbaar kunstwerk konden scheppen. Zij hadden gemeen met de veel en veel grotere groep van minder gebaafde tekenaars en schilders, dat zij het vak beheersen. Tekenen en schilderen is net zo’n vak als timmerman of metselaar en vakmanschap is nog altijd meesterschap.

Dit is nu een belangrijke stelling. U zult dus in ieder geval moeten leren:

Bovendien moet u theoretische kennis opdoen, zoals:

Laat u echter niet door het voorgaande afschrikken.
In de komende tijd zullen we samen spelenderwijs door de stof heenwandelen, waarbij ons gemeenschappelijke doel moet zijn, het gezamenlijk plezier hebben in het tekenen, of het nu thuis een stilleven, een modetekening of een portret van uw (klein-)kind of buiten een landschap of dieren, of noem maar op is.

Voorwaarde is en blijft echter, dat u serieus met uw hobby bezig bent, ook als het onderwerpen betreft, die u minder aanspreken, maar die nodig zijn om uw kennis en kunde te verruimen, benodigd om het „vak” TEKENEN goed onder de knie te krijgen.

Ik wens u veel genoeglijke tekenuren toe.

Akersloot, voorjaar 1985 

Hoofdstuk 1 Materiaal

Inhoud

Benodigde materialen
Hoe houdt je je materiaal vast

Benodigde materialen

tekenbord

Een plankje van bijvoorbeeld multiplex van 8 mm.
Aanbevolen maat ± 30x40 cm. (Is gemakkelijk mee naar buiten te nemen).

papier-blank

papier getint

potloden

Gemaakt van gekristalliseerde koolstof
leverbaar in 16 gradaties: 9H … HB … 6B
 aanbevolen:

* koop een goed merk in de speciaalzaak.

conté

Gemaakt van niet gekristalliseerde koolstof
diepzwart en rul
leverbaar in 3 gradaties: hard - middel - zacht
aanbevolen: middel.

negro-potlood

Iets minder rul dan conté
leverbaar in 5 gradaties.

roodkrijtpotlood

voor het fijne werk op getint papier.

Siberisch krijt

Gemaakt van kunstmatige houtskool
diepzwart en geeft gemakkelijk af
voor het vlotte werken.

getintte krijtsoorten

Soort Siberisch krijt in kleur
- serie Hardtmuth nr. 95. grijs —> wit
- serie Hardtmuth nr. 40. zwart —> roodbruin.

houtskool

Verkoolde takjes van een speciale boomsoort
wordt voornamelijk gebruikt om te schetsen
geeft zeer gemakkelijk af.

pastelkrijt

Natuurproduct van klei en kleurstoffen
zacht tot zeer zacht
gebruik vereist veel oefening.

vetkrijt

Krijt met een bepaald vetgehalte
uitstekend en goedkoop materiaal
kwaliteit wordt bepaald door kleurintensiteit en vetgehalte.
aanbevolen: doos met minstens 24 kleuren.

Figuur 1 en 2

kleurpotloden

Algemeen bekend artikel
ook leverbaar als waterverfpotlood
—> kleurstof kan met water en penseel over het papier worden verspreid
* koop een goed merk in de speciaalzaak.

vlakgom

Aanbevolen: zacht vlakgom bijvoorbeeld kneedgum
een propje vers witbrood kan ook heel goed dienst doen.

doezelaar

Een rolletje van vloeipapier met aan beide zijden een punt
wordt gebruikt om de kleurstof over het papier te verspreiden.

veer

Vleugel van een kip met schellak aan het botgedeelte
wordt gebruikt om papier te reinigen (van vlakgom e.d.).

Hoe houdt je je materiaal vast

potlood - schetsen

Potlood met de punt omhoog vasthouden tussen tussen duim en wijsvinger.
Overige vingers op het potlood en het eind ervan in de handpalm (zie figuur 1).
Duim van het papier afgewend.Figuur 3 en 4

Potlood losjes vasthouden
schetsen doe je vanuit de schouder en de elleboog en niet vanuit de pols
—> pols strakhouden
—> stand potlood niet veranderen
hand komt niet op het papier.

potlood - tekenen

Potlood ongeveer vasthouden zoals je met schrijven doet, maar met de vingers en duim gestrekt
flink stuk van het potlood buiten de hand laten steken (zie figuur 2).
hand komt niet op papier
zonodig pols of elleboog op bord steunen en bewegingen maken vanuit elleboog en pols.

krijt, houtskool e.d. - schetsen

Krijtje afbreken op een lengte van 1,5 à 2 cm en vlak op papier leggen
vasthouden met duim en wijsvinger door het van richting te veranderen worden de lijnen breder of smaller.
Deze methode wordt vooral gebruikt voor het vullen van vlakken (zie figuur 3).

Voor het schetsen houdt je het krijtje met de dunne kant tussen duim en wijsvinger en licht je het aan de achterzijde iets omhoog (zie figuur 4).

tekenplank

Voorbeeld 1

Schetsen:
op de knie en met de vrije hand boven vasthouden.

 

Voorbeeld 2

Tekenen:
iets hellend op tafel leggen.

Hoofdstuk 2 de Mens

Materiaal

schetspapier en houtskool. 

Normen

hoofd + hals + romp = benen ½ hoogte
Figuur 5
bovenbenen = onderbenen ¼ hoogte
hoofd ⅛ hoogte
hals + romp ¼ hoogte
bekken ⅛ hoogte
arm + hand - tot helft bovenbeen
elleboog
- tot middel
hand
- kleiner dan hoofd
voet
- groter dan hoofd
schouderbreedte
- 2 x hoofdbreedte
schouder / borsthoogte / middel = ⅓ - ⅓ - ⅓
tepelhoogte
= midden van romp + hals
schouderhoogte
= op ⅔ van benen - hoofd

Stand van voren (één standbeen)

Figuur 6 en 7

Vanaf model tekenen

Wijze van werken

Zie figuur 10.

  1. hoofdrichting van het staan aangeven
  2. stand standbeen en richting bekken en schouders
  3. wat accenten + armen en hoofd
    —> op afstand bekijken: NIET GOED ==> OVER
  4. afmaken met jurk en wat toetsen

tijd: +/- 50 minuten.

Figuur 9Figuur 10 
Figuur 11Figuur 12

Hoofdstuk 3 Variaties op stand

Inhoud

Stand 1 - naar model
Stand 2 - van opzij
Stand 3 - zitten
Stand 4 - variaties op zitten
Stand 5 - liggen
Stand 6 - hurkstand
Stand 7 - driekwarstand

Stand 1 - naar model

Neem één van de standen uit figuur met één standbeen (figuur 13)

  • controleer of de verhoudingen goed zijn
    - houding ontspannen
  • schets met zeer lichte druk op krijtje, dan wordt je tekening niet zwart en vlekkerig
    • eerst de basisfiguur aangeven zoals omschreen bij figuur 10
    • geef met wat lijntjes de kleding en schoenen aan
    • zoek de tintverhoudingen op:
      - donker
      - middel
      - licht
      —> werk in deze volgorde
    • nu je tekening wat accentueren met dikkere en dunnere (verlopende) lijnen
    • afwerken door in de 3 hoofdtinten nuanceringen aan te brengen.

Dit is eigenlijk de werkwijze voor elke schets en daarna uitwerking tot tekening !

Opmerkingen:

  1. Als bijvoorbeeld een blouse wit is, toch werken zoals we gewend waren:
    - stand
    - verhoudingen
    - volume
    niet direct in het wit gaan gummen. Het vlak toont vanzelf wit, als je de achtergrond wat kleur geeft.
  2. Houdt het krijtje zo lang mogelijk vlak. Pas wanneer je weet waar de lijnen moeten komen, kan je ze aanzetten (figuur 4).
    Omlijn niet alles. Gebruik dit alleen voor de accenten.

    Tekenen is eigenlijk de kunst van het weglaten.
  3. Probeer deze schetsen eens met krijt (serie Hardtmuth nr. 95 of 210) op getint papier. Je zal verbaasd zijn van het effect.
  4. Teken het model ook eens op de rug gezien (figuur 14).
  5. Het is soms heel handig om wat hulplijntjes te gebruiken:
    - wat is bijvoorbeeld de richting van de lijn tussen de handen
    - wat is bijvoorbeeld de richting van de raaklijnen.

    Zoek deze hulplijnen op door een potlood, dat je met gestrekte arm in de hand houdt, in de juiste richting te houden. Zet de gevonden richting evenwijdig over op je papier (eventueel met behulp van een ander potlood).

    Ook lengtes kan je met behulp van deze methode overbrengen. Maat meten tussen topje van de duim en eind van het potlood. Daarna in de goede maatverhouding overbrengen op je papier (figuur 14a).

Figuur 13


Figuur 14


Figuur 14a

Stand 2 - van opzij

De figuur van opzij gezien

Je gaat uiteraard weer uit van dezelfde grondmaten in het vooraanzicht.

Het lichaam is ongeveer half zo dik als in het vooraanzicht (figuur 15).

De moeilijkheid zit hem in de goede vorm van:
- borstkas
- bekkengedeelte.

Denk eraan dat je bij de stand op één been zo mogelijk doorzicht hebt tussen de aremen en benen, dat maakt je tekening wat krachtiger.

Je mag best een houding overdrijven → Denk steeds aan het evenwicht
- bijvoorbeeld halskuiltje - binnenkant enkelvan het steunbeen ongeveer loodrecht op elkaar (figuur 16).
- als je daar wat van af wijkt moeten andere delen van het lichaam wat naar de tegengestelde richting om het evenwicht te herstellen (figuur 16).

Er zijn vele expressiestanden, zoals:

  • leunen, zowel voor- als achterover (figuur 17)
  • duwen
  • trekken
  • lopen
  • etc.
Bij de eerste drie geeft de afwijking van het evenwicht ongeveer de kracht aan die op het voorwerp (bijvoorbeeld muur of wagen) wordt uitgeoefend.
Bij de laatste zit het midden van de romp ongeveer midden tussen de voeten.
Figuur 15
Figuur 16 Figuur 17

Stand 3 - zitten

Figuur 18 Merk op, dat, wanneer je een zittende figuur tekent (zie figuur 18), je een heel andere indeling van je papier krijgt:
- je figuur wordt:

  • ¼ minder in hoogte
  • ¼ meer in breedte

Dit lijkt heel logisch en totaal geen problemen op te leveren. Toch vraagt het de nodige aandacht bij het opzetten van de schets.

Het poppetje in figuur 18 is natuurlijk de uitgangspositie en is feitelijk een stijve en wat onnatuurlijke weergave van zitten.
- Iemand die ontspannen en natuurlijk zit, zal altijd ietwat kantelen in het bekken.
Ook hier vindt je dus weer de S-lijn terug, zie ook figuur 10.

De wijze van werken is gelijk aan die van variaties op stand 1 naar model (figuur 19).

  • hoofdrichting van het zitten
  • basisfiguur inschetsen
    → denk aan de juiste verhoudingen
  • met wat lichte puntjes de kleding enz. aangeven
  • tintverhoudingen opzoeken
  • tekening wat accentueren
  • afwerken, door in de drie hoofdtinten wat nuanceringen aan te brengen.
Ook bij het zitten (van opzij) zijn weer ele expressiestanden te bedenken (bijvoorbeeld figuur 20).

Denk altijd aan ontspanning en evenwicht.

Figuur 19Figuur 20

Stand 4 - variaties op zitten

Voorbeeld 5

Deze variaties zijn te bereiken door:
  1. romp min of meer naar achter of naar voren te buigen
  2. armen meer of minder naar achter of voren te brengen en minder te knikken
  3. dijbenen meer of minder horizontaal te plaatsen en het been meer of minder te knikken.

Plaats nu het model in de gewenste stand, maar ga, alvorens te schetsen, na of wij voor deze houding niet verstandiger zouden doen het paper in de breedte, of beter, in de hoogte te doen.

Als grondregel geldt:

  • is het model breder dan hoog, → papier in de breedte.
  • is het model hoger dan breed, → papier in de hoogte.

  

Voorbeeld 6

Zoeken we naar een hulpmiddel voor de juiste plaatsing op het vlak, maak dan van karton een raampje, waarvan de binnenopening dezelfde verhouding heeft als het tekenpapier.

Let bij het schetsen op:

  1. stand van het papier
  2. plaatsing op het vlak
  3. richting, verhouding en kleding

Nu kan het bij deze zijstanden gemakkelijk voorkomen dat wij van ons model, door bepaalde armstanden bijvoorbeeld, iets of wat meer van de romp of rugzijde zien.
→ Maak je geen zorgen, maar teken gewoon wat je ziet.

  

Opgaven

  1. Maak met siberisch krijt een hele reeks van deze standen en probeer door meer of minder op het krijtje te drukken, mooie tussenruimten te krijgen.
    → Lukt dit, schakel dan over op grijs-zwarte of rood-bruine krijtjes.
    Schetsen mogen 5 - 8 minuten duren.
  2. Papier met tussentint beïnvloed de werkwijze:
    de tussentint is er al → alleen nog tinten en donkerder aangeven
    het uitgaan van de tussentint en het werken met meerdere tinten beïnvloed het werktempo.
    → neem niet meer dan 10 minuten.

Stand 5 - liggen

Voorbeeld 7Ook bij de liggende mens houden we ons aan de verhoudingsnormen.

Om te tekenen is zo’n platliggende figuur helemaal niet leuk. Probeer daarom hieraan een meer interessant silhouet te geven door:

  1. variatie in standen van de benen
  2. variatie in stand van de romp
  3. variatie in standen van de armen.

Dit soort schetsjes mag niet langer dan 5 minuten duren.

Voorbeeld 8
Voorbeeld 9Als dit goed lukt, voer het dan uit met krijt op getint papier (8 - 10 minuten).

Als we het model in een leuke stand plaatsen, lopen we de kans dat we iets van de voor- of achterzijde van de romp zien. Dit maakt het tekenen iets moeilijker, maar de uitbeelding wordt interessanter. Het kan eigenlijk niet fout gaan als we de volgende volgorde aanhouden:

  1. papier in de breedte
  2. zoek naar een juiste plaatsing van het model in het vlak. (Zonodig met kijkraampje).
  3. probeer de essentie van de stand te vinden
  4. breng kleding en volume aan
  5. hang werk op afstand en controleer.

→ tekenen blijft de kunst van het weglaten.

Voorbeeld 10
De bedoeling van deze schetsen is, dat ze een impressie weergeven.
→ je moet je er niet zo om bekommeren of bepaalde delen anatomisch helemaal verantwoord zijn.
→ Probeer wel een model te vinden dat door duidelijk gekleurde strakke kleding (maillot) of weinig kleding ons meer inzicht in de contouren van lichaam en ledematen geeft.

Stand 6 - hurkstand

Voorbeeld 11Voorbeeld 12 Als we het been zo knikken, dat de hiel tegen de zitbeenknobbel aankomt, dan hebben we hier een basis voor een serie nieuwe standen.

Maak hier ook weer een reeks van standen van.

Werktijd: ± 5 minuten / schets.

Ga dan over op getinte krijtsoorten en ten slotte op getint papier. Tracht licht en donker door wat accenten te overdrijven en door zo hier en daar wat weg te laten.

  

  

Voorbeeld 13

  

Stand 7 - driekwartstand

Voorbeeld 16 Modeltekenen wordt een stuk moeilijker wanner we ons model niet recht van voren, niet precies van opzij, maar in een tussenstand zien.

Hierbij zie je zowel een stuk van de voorkant als van de zijkant.  We hebben al eerder gezegd dat er in principe twee mogelijkheden van tekenen zijn: Voorbeeld 17

  1. we geven van de stand een impressie
  2. we proberen de stand langs een meer constructieve weg te benaderen.
Nadelen:
  1. leuke tekening, maar vertoont veel tekortkomingen (vooral anatomisch)
  2. constructief verantwoord, maar schiet aan levendigheid tekort.

Probeer evenwicht te vinden, (leg het accent op de tegenpool van je instelling).

Een hulpmiddel

Het gemakkelijkst zou het wezen als we een paspop bij de hand zouden hebben. Met zo’n paspop krijg je een aardig idee over:
impressie ¾ stand vrouw
Voorbeeld 14
het rompvolume van rechts t.o.v. links het juiste midden, wat voor het tekenen van gekleed en ongekleed model noodzakelijk is.

Denk nu een band onder oksels door → dit geeft borsttepelhoogte aan.

Voorbeeld 15

Hoofdstuk 4 Begin van portrettekenen

Portret van voren

Kenmerkend aan iemand is:

Hieruit volgt, dat bij het maken van een portretschets de eerste aanzet van deze drie delen onze schets een herkenbaar beeld moet geven.

Voorbeeld:
Teken drie gelijke hoofdomtrekken (ei, met de punt naar beneden). Teken nu in:

==> je krijgt dan totaal verschillende types.

voorbeeld 18

figuur 11 Volgorde van het schetsen (zie figuur 11):

  1. vorm van het hoofd
  2. lengte van de hals
  3. stand van de schouders
  4. haar inschetsen —> portret moet nu al lijken
  5. kledingaanzet
  6. hoofdtinten aanbrengen
    • donker, bijvoorbeeld haar
    • midden, bijvoorbeeld kleding
    • licht, bijvoorbeeld huid
    noot: is het haar het lichtst, dan achtergrond tinten.

==> op afstand kijken ==> indruk:

  1. - vaag of aarzelend
    - tintverhouding
    - aanzet lijnen
  2. - vorm hoofd
    - volume haar
  3. - stand + breedte schouders
    - stand + breedte hals

Als 1 niet goed ==> tekening is niet aantrekkelijk.
Als 2 en/of 3 niet goed ==> tekening overmaken.

figuur 12

 Oefening

==> minstens 10 maal proberen volgens voorbeeld figuur 12 jezelf te tekenen.

Duur schets: ± 10 minuten.

Opwerken schets

In het aangezicht zijn drie belangrijke delen:

In het ideale geval zijn die alle drie even groot.
In de praktijk komt dat zelden voor.
==> onderlinge verhoudingen goed opnemen.

Werkwijze (figuur 12)

  1. teken de onderlinge verhouding aan
  2. geef op de plaats waar schaduw valt een tint
    - (kijk hiervoor door je oogharen, dan vallen de details weg)
  3. geef in de schaduwvlakken iets meer tekening, zodat plaats en vorm van ogen, neus en mond iets duidelijker wordt.
    ==> tekening moet nu lijken, anders overdoen.
  4. iets opwerken van de tekening
Duur werkwijze: ± 10 minuten.

Hoofdstuk 5 Het hoofd opzij (profiel)

Inhoud

Inleiding
Profiel tekenen naar model

Inleiding

Hierbij ontkom je er bijna niet aan om voorhoofd, neus, mond en kin aan te geven. Dit lijkt dus vrij moeilijk.
Als je deze onderdelen getekend hebt, kan het nog steeds voorkomen dat de tekening niet lijkt. Dat komt, omdat naast het voorhoofd, neus, mond en kin, ook de vorm van het hoofd (algemene indruk) en de verhoudingen een grote rol spelen.

figuur 21Het is heel belangrijk dat je die twee goed leert zien.

Een hulpmiddeltje om dat te ontwikkelen is als volgt:

Wij zijn er bij deze drie silhouetten vanuit gegaan, dat de verhouding voorhoofd (vanaf de haarimplant) : neus : mond, kin = 1 : 1 : 1. Dit is ongeveer waar. Het is vanzelfsprekend dat hierop vele kleine afwijkingen mogelijk zijn. Bovendien is het profiel van een vrouw over het algemeen wat zachter en ronder dan dat van een man. En dit geldt ook weer voor een kind ten opzichte van een vrouw.

Bovenstaande houdt in, dat je veel basisprofielen kan maken (36 stuks).

recht
- gelijke delen
- man
- vrouw
- kind
  - voorhoofd groter
- man
- vrouw
- kind
  - neus groter
- man
- vrouw
- kind
  - mond / kin groter
man
vrouw
kind
bol
- idem
- idem
hol - idem
- idem

Daarnaast speelt ook nog de vorm van de onderdelen op zich een rol. Toch leert de praktijk, dat, wanneer je volgens deze methode te werk gaat en je steeds weer goed de specifieke kenmerken in je opneemt, het eigenlijk best wel mogelijk is om een herkenbaar silhouet van iemand te maken.

Oefening 1

Maak eerst eens een aantal basisprofielen volgens het schema zonder daarvoor modellen te nemen. Ga daarmee door, totdat de verschillen je duidelijk zijn geworden.

figuur 22Oefening 2

Probeer nu een silhouet te maken volgens model.
Voor het gemak zou je een lamp achter je model kunnen zetten, zodanig, dat je zelf niet in de lamp kijkt en dat het gezicht donker lijkt.
==> je ziet dan beter de contouren en je wordt niet afgeleid door onnodige details.

Opmerking

Het lijkt mij leuk en zinvol om zeker oefening 2 ook eens uit te voeren in knipwerk.

  

Profiel tekenen naar model

Je volgt hierin weer de inmiddels bekende methode.

  1. vorm van het hoofd (hol, bol, recht).
  2. stand en lengte van de hals.
  3. aanzet schouder en borstgedeelte (ligt eraan tot hoever je je portret maakt).
  4. vorm van het haar.
  5. indeling voorhoofd - neus - mond en kin - gedeelte.
  6. vaag inschetsen profiel ==> tekening moet nu lijken.
  7. hier en daar licht accentueren met wat zwaardere lijntjes.
  8. bekende tintverhoudingen.
  9. weer wat accenten aanbrengen.
  10. afwerken door in de drie hoofdtinten wat te nuanceren.

Hoofdstuk 6 Buiten tekenen

Inhoud

Inleiding
Bomen en struiken
De ruimte
Ruimte met boom en struik
Dichtbij en ver weg 1
Dichtbij en ver weg 2

Inleiding

Het moeilijke met buitentekenen is, dat je te maken krijgt met veranderende lichtval in de loop van de dag, waardoor het karakter en ogenschijnlijk zelfs vaak de vormgeving van je onderwerp voortdurend veranderd.

Daarom is het noodzakelijk, dat je vooral voor deze vorm van tekenen, leert snel te werken.

Voor deze tekenwijze moet je een aantal vaardigheden aangeleerd hebben:

1. Bomen en struiken

  

  

Ga eens op stap en zoek een kale, karakteristieke boom op.

Je kan dan twee heel belangrijke zaken herkennen:

  • Groeiwijze: hoe is de stam, bijvoorbeeld:
    • lang en spichtig
    • kort en gedrongen
    • met of zonder uitstulpingen
    • recht of krom.
    Zie figuur 23, nrs 1, 2 en 3.
  • Groeiritme: wijze waarop de takken zicht verspreiden.
    Zie figuur 23, nrs 4, 5 en 6 en figuur 24.

Maak een aantal schetsen van bomen met hun groeiwijze en -ritme naar de natuur.
Probeer ze voor jezelf te herkennen als soort.

Noot:

deze schetsen moeten snel en luchtig gemaakt worden.

  • je moet vooral niet alle takjes en twijgjes tekenen: het gaat om de hoofdlijnen
  • in de stam kan je een heel schetsmatig structuurtje aangeven (zie bijvoorbeeld figuur 23)
  • denk eraan, dat de boom vanuit de grond groeit:
    • bodem wat accentueren
    • takken en stam van dik naar dun (kan heel leuk met een krijtje of pijpje houtskool).

(Zie het voorbeeld rechts onderaan).

Wanneer je deze schetsen gemaakt hebt, moet je eens proberen of je een groepje bomen (liefst verschillende typen) bij elkaar kan schetsen.

  • besteed vooral niet te veel aandacht aan de omgeving van die bomen, daar komen we later wel op terug.
  • zorg er voor, dat ze niet „in de lucht zweven”, geef per boom even een aanzetje van de grond.

Maak deze tekening op een stuk papier (bijvoorbeeld een stuk behangpapier) van 45 x 60 cm. Teken met syberisch krijt of houtskool. (Zie hier onder).

Figuur 24a

Figuur 23


Figuur 24


Figuur 23b

2. De ruimte

Voorbeeld 19

De ruimte is opgebouwd uit twee hoofdbestanddelen, te weten:
  • lucht
  • grond

De scheiding tussen deze beide is de horizon:
- deze bevindt zich op ooghoogte.

De onderlinge verhoudingen tussen de ruimte voor de lucht en die voor de grond kan uiteraard verschillen:
- zij is afhankelijk van hoe hoog je staat.

 Dus:

  • sta je hoog
    • weinig lucht
    • veel grond
  • sta je laag
    • veel lucht
    • weinig grond.

Hierdoor vallen de „Hollandse luchten” ook zo op, immers: Nederland is een laag, vlak land, waardoor je meestal laag staat en dus relatief veel lucht ziet.

Voorbeeld 20

Maak de scheiding grond/lucht niet precies op de helft van je papier; dat doet niet prettig aan.

Ga nu op stap en zoek naar een omgeving welke zo veel mogelijk aan bovenstaande voldoet.
Natuurlijk tref je zo’n omgeving zelden aan, want meestal staat er wel her en daar een en ander aan struikjes of bomen. Die objecten in het landschap laten we bewust weg, want het gaat ons nu alleen om lucht en land.

Je zal zien, dat:
LUCHT : de intensiteit van de kleur en de structuurwerking van de wolken nemen van beneden naar boven toe.

LAND : naarmate de gronddichterbij is, neemt de intensiteit van de kleur en de werking in de structuur toe.

OF : hoe verder weg, des te minder

  • kleurintensiviteit
  • structuurwerking

voorbeeld 21 In een dwarsdoorsnede zou je je het zó voor kunnen stellen als links hiernaast.

Het valt waarschijnlijk op, dat je tekening door de kleurintensiteit en de structuur als het ware rond loopt.

We komen er later op terug.

  

Opgave

Maak met wit en zwart krijt op getint papier een illusie van een landschap. Per schets maximaal 5 minuten.

Ga zolang door, totdat je een landschap hebt met wijkend grondvlak, dat bij de horizon in een hemelkoepel overgaat.

3. Ruimte met boom en struik

voorbeeld 22 Teken op kladpapier het silhouet van een boom en knip dit uit.
Doe hetzelfde met bijvoorbeeld een struik.

Pak een van je ruimtestudies en probeer ze een juiste plaats te geven door ze te schuiven.
—> daarna vastplakken.

Teken een ander boomtype, maar nu met bladstructuur en doe hiermee hetzelfde.

Probeer een groepje bomen en struiken zowel in silhouet als in structuur op een ruimteschets te ordenen.

! Ga nu bijvoorbeeld weer naar een plantsoen en zoek een soortgelijke situatie uit.

Schets dit met wit en zwart krijt op getint papier.

==> Orden hierbij zonodig naar eigen idee.

4. Dichtbij en ver weg 1

voorbeeld 23

Als we gewoon rechtop op de grond staan, is de afstand van ons tot aan de horizon bij een vlak landschap ongeveer 5 kilometer.

Alles in deze ruimte is ondergeschikt aan regels (zie bovenste voorbeeld):

  1. naarmate iets verder van ons verwijderd is, lijkt het kleiner
  2. de kleurintensiteit en de duidelijkheid van de vormen nemen naarmate de afstand groter wordt, sterk af
  3. de werking van de structuur neemt hierbij eveneens af.

Opmerking
Kleuren vervagen naarmate de afstand groter wordt in het algemeen naar een soort blauw.
- denk hierbij ook aan de kleur van de hemel.

Natuurlijk kan de kleur beïnvloed worden door een bepaalde lichtval, zoals zonsonder- of opgang.

Willen we nu ruimte gaan maken die voldoet aan de voorgaande regels, doen we er goed aan de ruimte in een aantal delen te verdelen. We noemen die delen wel „plans”.

voorbeeld 24Opgave 1

We verdelen de ruimte in drie plans, te weten:

  • voorgrond
  • middenplan
  • achtergrond.
We nemen hiervoor:
  • 1 vel wit papier
  • 3 vellen getint papier in aflopende kleur, bijvoorbeeld zwart, grijs en licht grijs.
Maak middels knippen:
  • zwart = voorgrond
  • grijs = middenplan + wolken
  • lichtgrijs = achtergrond.

Schuif zodanig, dat je een leuk ontwerp hebt, waar diepte in zit.
Knip in de juiste tinten en grootte een boom of struik of meerdere van beide —> pas ze in in je ontwerp.

! Denk hierbij goed aan de juiste verhoudingen.

Opgave 2

Wanneer het maken van een ruimteindeling door middel van knippen is gelukt, probeer het dan eens met behulp van getint papier met zwart en wit krijt. Bijvoorbeeld een zeegezicht.

5. Dichtbij en ver weg 2

voorbeeld 25Het heuvel- en berggebied heeft zijn eigen moeilijkheden. Het gemakkelijke is, dat de planmatige ordening van nature aanwezig is. Het moeilijke is, dat de ruimte veel groter is als het ware, ofwel ingewikkelder. We moeten veel meer aandacht besteden aan:
  • tekening
  • juiste verhoudingen
  • bijpassende structuren.

Opgave 1

Probeer net als bij het vlakke landschap door middel van knippen en schuiven een berglandschap te componeren.
Het verdient waarschijnlijk aandacht om eerst een ruwe schets te maken, waarin de vier hoofdtinten door middel van een ordening wordt aangegeven:

  • wit
  • licht grijs
  • grijs
  • zwart.

voorbeeld 26Houdt het ontwerp vooral eenvoudig.

Opgave 2

Gebruik wit papier en zwart krijt
OF
getint papier, zwart krijt en twee tinten grijs krijt.

Maak eerst een schets. Vul daarna, precies als bij opgave 2 in paragraaf 4. Dichtbij en ver weg 1, de voorgrond, middenplan en achtergrond, alsmede de lucht vlak in.
==> daarna elke heuvel en berg, alsmede de lucht naar boven toe iets donkerder aanzetten.

Het moeten echt snelle schetsen zijn, dus per tekening niet veel meer dan 15 minuten.

  

Opgave 3

voorbeeld 27

We houden ons aan de materialen, als aangegeven in opgave 2.

Probeer nu, door iets meer of minder op het krijtje te drukken, het aantal plans van 3 naar 6 en daarna naar 9 uit te breiden.

==> Denk er vooral aan, dat je schets rustig aan blijft doen en dat alle dieptewerking goed blijft. (Weet je nog: hoe verder weg, des te waziger!)

Tot nu toe hebben we de ordening in het berg- en heuvellandschap door middel van:

  • tinten
  • tintnuanceringen
bereikt. Dit kan ook bereikt worden met behulp van
  • structuren.

We moeten er dan in onze tekening goed op letten dat

  • naar mate het verder weg is, lijkt een object kleiner
  • neemt de structuurintensiteit af.

Zie hiervoor ook paragraaf 4. Dichtbij en ver weg 1.

  

Kleur

voorbeeld 28

Als de opgaven 1 t/m 3 goed gelukt zijn, is het gebruik van kleur maar een klein stapje. De moeilijkheid is echter meestal de keuze van de kleur en dat is iets, dat je eigenlijk alleen maar ter plaatse goed kan bepalen:

  • kleur
  • intensiteit
  • lichtval.
Wacht daarom liever met kleur tot de eerstvolgende vakantietrip en houdt dan als richtlijn aan:
  • dichtbij: kleur is in zijn volle intensiteit te zien
  • ver weg: kleur verliest aan inensiteit en verblauwd
  • zon en warmte: kleuren verbleken en er komt als het ware een waas over het landschap.

Opgave 4

Schets een berglandschap en werk het op met behulp van structuren. Gebruik als model bijvoorbeeld een vakantiefoto of een prentbriefkaart. Leg zo’n tekening, als hij klaar is, op een afstand en bekijk of de diepte-illusie goed is.
==> Tracht de fout te corrigeren; lukt dit niet, maak dan de tekening over.

Probeer ook eens voor zo’n landschap de serie rood-bruin-zwart krijtjes te gebruiken (Hardmuth nr. 210) en combineer met de grijsserie (Hardmuth nr. 95).

Hoofdstuk 7 De ruimte

Inhoud

Onze plaats in de ruimte 1
Onze plaats in de ruimte 2
De straat

Onze plaats in de ruimte 1

Als iemand van je weg loopt wordt hij steeds kleiner, totdat hij zover weg is van je, dat je slechts een stipje kan waarnemen.
Laten we deze mens nu in verschillende richtingen van ons weglopen, ontstaan er andere stipjes.
—> verbinden we deze stippen, dan ontstaat er een horizonale lijn, de HORIZON of GEZICHTSEINDER.

De hoogte voor de gezichtseinder wordt bepaald door de hoogte van het oog, dus hoe hoog we staan.

  • staan we op een toren, dan is de gezichtseinder hoog en kunnen we veel van het landschap zien
  • staan we laag, of zitten we bijvoorbeeld in een vlak landschap, dan ligt de gezichtseinder laag en kunnen we weinig van het landschap zien.

We weten dus dat, naarmate iemand verder van ons verwijderd is, deze kleiner lijkt.
Als we daarbij nog weten, dat de mens ongeveer even groot lijkt, als hij zich evenwijdig aan de grondlijn beweegt,
==> dan hebben we nu de sleutel voor de z.g. WIJKENDE SCHAAL.
Deze stelt ons in staat op elk punt van onze tekening de juiste grootte van een mens, op wat dan ook, te bepalen ==>

  • als we de menshoogte en de plaats van de horizon weten, kunnen we op „x” een boom van ± 7 meter tekenen (4 x de menshoogte).
  • omgekeerd: als we weten waar de horizon ligt en we weten dat de boom ± 7 meter hoog is, kunnen we de menshoogte in „y” bepalen.

Iets moeilijker wordt het, om voorwerpen die op regelmatige afstanden van elkaar tekenen, zoals palen.
—> Dit kan, als de horizonhoogte bekend is, als volgt langs constructieve weg bereikt worden:

  1. Teken de eerste paal en de wijkrichting voor de reeks
  2. Geef de afstand tot de eerstvolgende paal aan en bepaal de hoogte
  3. Trek nu vanaf de grondlijn een lijn door het punt, waar de tweede paal op de grond staat tot aan de horizon (WP)
  4. Verschuif de eerste paal zodanig (evenwijdig aan de grondlijn), dat de voet de wijklijn naar WP kruist
  5. Door de paal nu steeds evenwijdig aan de grondlijn en daarna weer diagonaal in de richting van WP te verschuiven, is het mogelijk om gelijke tussenruimten perspectievisch juist weer te geven.

Voorbeeld 29
Voorbeeld 30

Voorbeeld 31

Onze plaats in de ruimte 2

Voorbeeld 32Om te zorgen dat degene, die onze tekening bekijkt zich gemakkelijk in de door ons getekende ruimte kan orienteren, moeten we op het volgende letten:
  1. De hoogte van de horizon geeft aan hoe hoog ons standpunt is
  2. De plaats van de vluchtpunten op papier bepaalt de observatieplaats van de tekenaar in het algemeen (gaat niet altijd op).
  3. Wanneer we een voorwerp tekenen, waarvan de afmetingen algemeen bekend zijn, geeft zijn afmeting op de tekening aan of de ruimte groot, normaal of klein is.

Opgave

Ga naar buiten en zoek plekjes waarbij de hiervoor beschreven situaties goed waar te nemen zijn.
—> schets met siberisch krijt op kladpapier (onbedrukt krantenpapier).

Voorbeeld 33

De straat

Enkele belangrijke regels, die we eigenlijk in het voorgaande al hebben besproken zijn:
  1. Ruimte vanaf het observatiepunt tot aan de horizon is bij een vlak landschap en een stahoogte van ± 1,75 meter tussen de 4 en 5 kilometer (kijkafstand).
  2. Alle horizontaal wijkende lijnen die evenwijdig aan elkaar lopen, od ze nu in een horizontaal of een verticaal vlak liggen, hebben hetzelfde vluchtpunt in rechte lijnen.
  3. Alle horizontaal wijkende lijnen die evenwijdig aan elkaar lopen, maar in een andere richting wijkend vlak liggen hebben een ander vluchtpunt.
  4. Lijnen, evenwijdig aan het beedvlak kennen geen vluchtpunt.
Opmerking: deze regels zijn wiskundig niet helemaal waar:

  • perspectief is te berekenen met derde graads vergelijkingen, maar voor betrekkelijk kleine objecten als een straattafereel zijn de afwijkingen te verwaarlozen (anders is dit bijvoorbeeld met een brug van een kilometer lengte).

 Opgave

Ontwerp zelf een „straat”. Voor details zonodig buiten een schets maken en thuis verwerken.
- papierformaat: ± 30 x 45
- zwart en grijs krijt.
Zie voorbeeld 36.

Alle horizontaal wijkende lijnen, welke in werkelijkheid evenwijdig lopen, maar in een andere richting wijkend vlak liggen hebben ook een ander verdwijnpunt.
Dit hebben we al geconstateerd in regel 3 van deze paragraaf (zie bovenste tekening, nr. 3).
We willen je in het onderstaande het effect hiervan aantonen bij een huis.

noot: hoe zou het er uit zien als de deur haaks open staat?

Op grond van de 4 hoofdregels zijn we dus kennelijk in staat om ook veel ingewikkelder zaken, zoals een krom steegje perspectivisch redelijk weer te geven.
Immers, de uitersten zijn:

  1. evenwijdige lijnen, haaks op het beeldvlak, gaan naar het vluchtpunt - V0 (zie tekening 1, 2 en 3 in „Onze plaats in de ruimte 2”).
  2. evenwijdige lijnen, evenwijdig aan het beeldvlak, blijven evenwijdig aan het beeldvlak.
    Hieraan kan je met enige fantasie nog een héél belangrijke regel aan toevoegen
  3. Voorbeeld 38- is de hoek van het te tekenen vlak met het beeldvlak kleiner dan 90°, dan ligt het verdwijnpunt links van het vluchtpunt V0.
    - is de hoek van het te tekenen vlak met het beeldvlak groter dan 90°, dan ligt het verdwijnpunt rechts van het vluchtpunt V0.
We gaan dit nu eens uitproberen met een naar rechts buigend straatje.

Voorbeeld 34
Voorbeeld 35
Voorbeeld 37

Voorbeeld 36

voorbeeld 36

Hoofdstuk 8 Het perspectief

Inhoud

Het perspectief
Hulpconstructies

Het perspectief

In al het voorgaande hebben we gewerkt met perspectief, zonder nou precies te weten hoe dat gaat. Tekenen van perspectief is eigenlijk wiskunde toepassen, namelijk: beschrijvende meetkunde. Het is niet de bedoeling om de diepere roerselen hiervan aan u bij te brengen, maar alleen een toepassing hiervan en dan nog vrij oppervlakkig te behandelen om wat meer inzicht te krijgen.

Verschillen tussen „zien” en perspectief tekenen

  1. je kijkt met twee ogen en ziet dus diepte
  2. de mens kijkt actief, dat wil zeggen:
    - je loopt en beweegt
    - je hoofd en ogen gaan heen en weer, ofwel:
    • je neemt veel verschillende fragmenten op en vertaalt dat naar één totaalbeeld, terwijl een perspectieftekening maar één van die fragmenten is.
  3. vorm van het projectievlak:
    - het oog is een bol
    - je tafereel is een plat vlak.
    het oog neemt een gelijke maat steeds kleiner waar, naarmate hij zich verder van het oog af bevindt; projectie op het platte vlak blijft gelijk, dus op de tekening komt meer „vertekening” voor dan het oog registreert.
    Deze „vertekening” is in het horizontale vlak hinderlijker dan in het verticale vlak.

In de praktijk is men gekomen tot de volgende halve gezichtshoeken:

  • horizontaal = maximaal 30°
  • verticaal = maximaal 45°.

Ten slotte nog enkele verschillen

Vallende lijnenEerder heb ik gezegd dat verticale lijnen verticaal blijven. —> Dit is eigenlijk niet waar.
Als je bij een hoog gebouw naar boven kijkt, zie je de verticale lijnen iets naar elkaar toekomen, net als je gezien hebt bij horizontale lijnen, die naar één vluchtpunt gaan. Als je dit echter zo tekent, wordt dat door het oog als niet aangenaam ervaren (eigenlijk door de hersenen).
—> dit fenomen wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de dominante rol van de zwaartekracht, die ons verticalen als verticaal wil laten zien.

Zo accepteren onze hersenen ook geen rechte lijn die zich als een gebogen lijn aftekent (een brug onder een bepaalde hoek). Om een indruk te krijgen wat er nu eigenlijk met het perspectief gebeurt, wordt dat hier links in twee eenvoudige voorbeelden weergegeven.

Waar we het eerder er steeds over hadden, dat de lijnen in vlakken naar vluchtpunten gaan, kan je in voorbeeld 44 zien, hoe dat gebeurt.

Voor het maken van buitenschetsen heb je de constructiemethode niet direct nodig, maar het is wel fijn om te weten, waarom bepaalde dingen er uit zien zoals ze er uit zien. Op de twee onderstaande tekeningen wordt aangegeven hoe je een perspectieftekening van een huis kan maken.

Verband tussen zien en perspectivisch construeren
Vergelijking tussen zien en projecteren op een vlak
Bruikbare gezichtshoek

Voorbeeld 44
Voorbeeld 43
Voorbeeld 44

Voorbeeld 45 Voorbeeld 46

Hulpconstructies

Methode met hulpdiagonaal 1
voorbeeld 47

Als je de schetsjes uit de vorige paragraaf goed bekijkt, dan kom je tot de conclusie, dat meestal één van de vluchtpunten zo ver weg ligt, dat hij buiten je tekenpapier of zelfs buiten het tafelblad valt. Er zijn twee methoden:

  •  hulpdiagonaal
  • omsluitende hulpfiguur.
Vluchtpunt V2 buiten tekening (zie voorbeeld 47)
- trek diagonaal AC
—> C kan nu bepaald worden.

  

V2 valt buiten de figuur (zie voorbeeld 48):

  • maak een rechthoekige figuur om je te tekenen figuur
  • zorg dat deze figuur (liefst)
    - evenwijdig aan tafereel
    - een zijde samenvallend met tafereel
  • bovendien moeten de hoekpunten van je te tekenen figuur je hulpfiguur raken
  • nieuwe vluchtpunt is VH
—> Met behulp van „oogstralen” OA, OB, OC en OD worden nu A, B, C en D bepaald.
Methode met hulpdiagonaal 2
voorbeeld 48
Indelen van vlakken met hulpconstructiesvlak middendoor delen —> wordt heel eenvoudig gevonden door het snijpunt S van de diagonalen AB en CD. deel vlak in een gelijk aantal stukkenweer een diagonaal trekken AC op de verticale lijn BC gelijke delen uitzetten met hulplijnen naar vluchtpunt krijg je snijpunten S1, S2 etc. op de diagonaal —> met loodlijnen op grondvlak AB is AB in gelijke delen gedeeld. Met zichzelf verlengen van een vlak.bepaal het midden van BD (M1) trek AM1 tot hij CV in F snijdt —> loodlijn uit F op de horizon tot hij AV in E snijdt AB is even groot als BE CD is even groot als DF.

Hoofdstuk 9 Effecten

Inhoud

1. De straat is ook de kamer
2. De kamer is ook de straat
3. Weerspiegeling 1
4. Licht, schaduw, slagschaduw 1
5. Dichtbij en ver weg
6. Weerspiegeling 2
7. Licht, schaduw, slagschaduw 2

1. De straat is ook de kamer

Het is vanzelfsprekend, dat de regels van het perspectief zowel voor binnen als buiten gelden.
Voorbeeld 52

Voorbeeld trap

- Aangezien we bij een interieur ook horizontaal wijkende lijnen in zowel het grondvlak als op het plafond kunnen aantreffen, zou je, om het vlotte schetsen te kunnen bevorderen, vooraf een reeks wijklijnen kunnen trekken.
Voorbeeld 53

Opgave

Schets met behulp van deze wijklijnen met krijt een interieur.

Denk vooral om de juiste onderlinge verhoudingen.

! Houdt het voorlopig bij schetsen;
- besteedt niet teveel aandacht aan details van persoonlijke spulletjes.

Maak ook eens soortgelijke schetsen van andere ruimten, zoals de zolder e.d.

Probeer ook eens een trap.

2. De kamer is ook de straat

Vele keren hebben we vastgesteld dat:

  • alle horizontaal wijkende lijnen in één staand vlak hebben één vluchtpunt
  • alle horizontaal wijkende lijnen in een ander staand vlak hebben een ander vluchtpunt.

Met deze regels is het mogelijk een hoek van een kamer te tekenen (zie voorbeeld 55).

Opgave

Schets kamerhoekjes en let vooral op de juiste verhoudingen.

  • eerst de tekening met bijvoorbeeld tafels, kasten
  • dan iets van tintnuancering

—> op afstand bestuderen, zonodig corrigeren.

Van de kamerhoek naar de straathoek is nu nog maar een klein stapje.

Schets zoiets eerst thuis.

Lukt dit, ga dan naar buiten om nieuwe ideeën op te doen en probeer ze thuis in een schets te verwerken. Pas als dit schetsen vlot gaat, kan je met succes buiten werken.

! Het moeilijkste bij buiten tekenen is: uitmaken wat belangrijk is en wat niet.
—> accentueer wat belangrijk is, laat weg wat niet van belang is.

 OEFENEN

  • schetspapier
  • zwart-witte reeks krijtjes
  • maak schetsen van hooguit 15 minuten
  • denk aan: accentueren en weglaten
  • bekijk je werk op afstand thuis (dus niet waar het natuurbeeld is).
    —> zoek je fouten op en probeer ze de volgende keer niet te maken.
    —> verbeteren heeft meestal weinig zin !

voorbeeld 55
Voorbeeld 55

  

  

  

voorbeeld 56
Voorbeeld 56

  

Zie voorbeeld 56: ook hier kan je een stel vluchtlijnen naar V1 en V2 van te voren op je papier zetten.
—> Dat schetst veel makkelijker 

3. Weerspiegeling 1

Voorbeeld 57

Als je een paal in het water ziet staan en het water is rustig, dan zie je vanaf het punt dat de paal de waterspiegel bereikt er een tegenovergesteld beeld ontstaat, wat de illusie geeft even groot te zijn als de paal zelf.

Met deze regel als basis, is het mogelijk om elke weerspiegeling te berekenen.

Op het voorbeeld rechts: een rechte en scheve paal en een vlondertje.

Opgaven

Voorbeeld 58

Probeer zelf wat van deze situaties te schetsen:

  • rechte paal
  • scheve paal
  • twee kruisende palen
  • vlondertje
  • zeil van een boot
  • enz.

Denk er steeds aan, dat op de waterlijn het spiegelbeeld begint, dus:
Als een paaltje op de oever staat, moet je de waterlijn doordenken.

Als dit duidelijk is, maak dan een eenvoudig bouwsel aan de waterkant.

  

4. Licht, schaduw, slagschaduw 1

We gaan uit van een klein schuurtje.

Wanneer we dit precies met licht, schaduw en slagschaduw zouden willen uitbeelden, dan moet je dat langs constructieve weg doen, ofwel

  • schuurtje tekenen
  • zonnestand bepalen
  • schaduw en slagschaduw construeren.

! Door deze wijze van werken gaat veel van de aandacht verloren.

Een eenvoudiger manier met goed resultaat is:

  • naar gelang van de zonnestand ontvangen de vlakken:
    • veel licht
    • minder licht
    • nog minder licht
    —> de daarbij behorende schaduwwerking is:
    • geen
    • halve tinten (grijs)
    • donker
Maak zo’n schuurtje
  • op schetspapier
  • met siberisch krijt

—> begin met de donkerste tinten.

Gaat het goed, vervang dan het siberisch krijt door de grijze of roodbruine tintsoorten.
—> in het begin zal het werktempo afremmen, maar na enige oefening zal dit geen rol meer spelen.

Opgave

Maak een eenvoudig bouwsel aan de waterkant.

  1. geef de waterkant aan
  2. zet op de scheiding land / water een kubus neer
  3. zet op de kubus een plat dak en maak een deel van de voorkant (bij het dak) dicht
  4. maak een taludlijn vanaf
    • water-grondscheiding tot
    • halverwege achterkant huisje
  5. teken de weerspiegeling
  6. teken de bak met z’n weerspiegeling

Als je nu je technische schets gereed hebt, kan je hem verder opwerken (zie onderste tekening).

Noot: Valt het op dat het construeren alleen maar nodig is om in de goede verhoudingen te tekenen ?

==> Als je wat ervaring hebt gekregen met constructies, hoef je alleen nog maar wat ondersteunende hulplijntjes te tekenen.

Voorbeeld 59
Voorbeeld 60
Voorbeeld 61

5. Dichtbij en ver weg

Voor een belangrijk deel hebben we ons bij het weergeven van de diepte-illusie op het platte (teken)vlak tot het perspectief door middel van lijnen beperkt.

Nu nog even iets over het kleuren perspectief.

De regel dat, naarmate iets verder van ons verwijderd is, de intensiteit aan kleur- (en structuur) werking afneemt, was ons al bekend. Maar wat zijn deze kleuren dan?

—> reeds in de 17e eeuw kende men hiervoor de volgende ordening:

  1. voorgrond = donkerbruin
  2. middenplan = fijne groenen
  3. achtergrond = doorschijnende blauwen

Merkwaardig genoeg zijn deze 17e eeuwse regels met een correctie op punt 1 (donkerbruin vervangen door intens werkende pure kleuren) ook vandaag nog van kracht.

Opgave

Ga op zoek naar een nogal open landschap, schets dit direct in kleur en leg het accent op de diepte-illusie.
—> durf hierbij de kleuren op de voorgrond te overdrijven, waardoor de illusie dichtbij - ver weg nog groter wordt.

  

6. Weerspiegeling 2

Voorbeeld 62 Bij het weergeven van de weerspiegeling moeten we op twee dingen letten, te weten:

  1. het tekenen van het spiegelbeeld
  2. het uitbeelden van het water als oppervlak

Het eerste is meestal reeds door een juiste tekening te bereiken.
Het tweede is meer het aanbrengen van tintnuanceringen.

Opgave

Maak een aantal waterstudies met behulp van:

  • grijze of rood-bruine tintsoorten
  • op gekleurd papier

7. Licht, schaduw, slagschaduw 2

De illusie van plasticiteit bij voorwerpen kunnen we versterken door hierbij licht, schaduw en slagschaduw aan te brengen.
  • schaduw is de tegenhanger van licht
  • slagschaduw is de donkere vlek welke het voorwerp op de grond of op een ander object werpt.
Het aanbrengen van licht, schaduw en slagschaduw kan op twee manieren geschieden:
  1. zeer simpel:
    Voorbeeld 63
    • door het vlak (a), dat het meest naar het licht gekeerd is, licht te laten
    • door het vlak (b), dat van het licht is afgekeerd, donker weer te geven
    • door de rest een tussentint te geven (c)
    • een illusie van de slagschaduw wordt bereikt door de grond aan de schaduwzijde van het voorwerp iets donkerder te maken (d).
  2. dit kan ook, en veel beter, met behulp van wat constructieve lijntjes (zie voorbeeld 64).
    —> hiervoor is het nodig te weten:
    • zonnestralen in een vlak, evenwijdig aan ons beeldvlak
    • indien zonnestralen niet in een vlak / beeldvlak
      - op welke plaats staat de zon
      - waar is de horizon
Voorbeeld 64
Voorbeeld 64
Voorbeeld 65
Voorbeeld 65

Hoofdstuk 10 Ordenen

Inhoud

  1. Ordenen
  2. Lange en korte as 1
  3. Lange en korte as 2

Ordenen

Neem een stuk zwart of zeer donker papier (ongeveer 8 x 12,5 cm).

  • vouw dit 5 maal als een harmonica en knip hieruit een simpele bladvorm.
  • leg deze bladvormen op een stuk wit papier (32 x 25 cm) en tracht ze d.m.v. schuiven zo te ordenen dat:
Voorbeeld 66 alle bladeren op de een of andere manier onderling verbonden zijn en een zekere regelmaat aan de ruimten te zien geven.
Voorbeeld 67 alle bladeren los van elkaar liggen en onderling gelijkwaardige tussenruimtes tonen.

Doe hetzelfde nu ook met andere, in veelvoud geknipte, bladvormen en controleer de plaatsing hiervan, alvorens de delen vast te plakken.
Voorbeeld 68

Knip nu uit getint papier een bladvorm in veelvoud en geef met pen of penseel en zwarte of witte inkt elk blad een eigen structuur.
==> orden ze en controleer d.m.v. iets verschuiven of deze ordening juist is.

Doe hetzelfde met verschillende bladvormen, met veren en dergelijke
==> Gebruik steeds getint papier. Voorbeeld 69

Heel leuk is om  dit gedoe ook eens uit te proberen met behulp van verschillende vormen van vruchten.
—> geef deze ook een structuur.

! Orden nu op soortgelijke wijze enkele flesvormen.
==> Gebruik doorschijnend getint papier.

—> Teken er ook eens etiketten en structuur in. Voorbeeld 70

Tot nu toe hebben we de bladeren, vruchten, flesjes e.d. tegen een witte achtergrond geordend.
Wanneer we ditwit door een grijze of zwarte achtergrond vervangen, zien we, dat de tintverhouding op het vlak (of dit nu effen tinten of structuren zijn) anders wordt.

Wanneer we dus met een achtergrondstint willen werken, zullen we daarvan moeten uitgaan, en hierop de andere tinten of structuren moeten afstemmen.

 PROBEER

Voorbeeld 71

Neem een niet zo geslaagd plaksel en probeer dit door het toevoegen van structuren te verbeteren.

2. Lange en korte as 1

Figuur 31 en 32Neem eens een appel en snijdt deze horizontaal door (figuur 31).

  • plaats hem op ooghoogte.
    U ziet dat de doorsnijding een streep is. Naarmate je hem meer om de horizontale as draait, zie je:
  • steeds meer snijvlak 
  • steeds minder snijvlak

De verschijningsvormen van het snijvlak bij de verschillende stadia van kantelen noemen we ellipsen.

Oefening

Probeer ellipsen in allerlei standen vlot uit de hand te schetsen.
—> zorg ervoor dat ze aan de einden van de lange as niet puntig zijn en in de tussenstukken niet vlak.

Als je ellips wat nauwkeuriger wilt tekenen, maak dan gebruik van een assenkruis. De as, waarom het vlak gewenteld wordt, heet de lange as. De as die hier loodrecht op staat en dus kantelt, de korte as. De lange as verandert niet van lengte, de korte as wel.

Wanneer je nu een recht glas neemt kan je hetzelfde verschijnsel waarnemen. Bovendien valt op, dat de ronde zijde die het dichtst bij de ooghoogte zit, de langste korte as heeft. Dit wordt veroorzaakt door de hoek waaronder je dat vlak ziet: maak hier wat studies van !

Figuur 33Kon je bij het glas zien dat de zijkanten evenwijdig aan elkaar lepen, bij een kegelvorm lopen ze naar één punt. Het principe blijft echter gelijk; ook hier zie je bij kantelen:

  • steeds meer van het bovenvlak
  • steeds minder van een zijvlak.
  • In figuur 33 kun je goed het verschil zien in het zichtbare deel van het zijvlak tussen een cylinder en een kegel.

Het is heel belangrijk om dit principe goed te bestuderen en te begrijpen, want je kunt het in allerlei vormen gebruiken, zoals
  • opbouw van een bloem
  • vorm van een fles of een vaas.

  

Voorbeeld 72

 Oefening

  • Neem enkele voorwerpen, die uit een combinatie van cylinder- en kegelvormen (of afgeplatte kegelvormen) zijn opgebouwd, zoals een litermaat, een trechter, een fles of een bierglas.
  • Teken deze eerst in aanzicht en dan in gekantelde vorm.

Wanneer je dit systeem van tekenen goed beheerst, is het in een later stadium vrij eenvoudig om op de juiste manier het spel van licht en donker, van licht, schaduw en reflex in te schetsen.

3. Lange en korte as 2

Voorbeeld 73Voor het erbij tekenen van hengels, oren, bovenranden en dergelijke, kan een vertikale of horizontale doorsnede een steuntje geven.

Bij het kroesje loopt overigens de lange as van de ellips horizontaal.

  • de korte as staat hier altijd loodrecht op en valt samen met de richtingsas van het kroesje.
Voorbeeld 74In welke stand we nu het kroesje zetten of leggen, de theorie blijft hetzelfde.
  1. Zodra de richtingsas van het voorwerp bekend is, kunnen we hier loodrecht op de lange as van de ellips tekenen.
  2. Zodra de richting van de lange as van de ellips bekend is, kunnen we hier loodrecht op de korte as tekenen. (Deze valt dus ten dele met de richtingsas samen).

 Opgave

Maak een pillendoosje met open dekseltje tegen een donkere achtergrond.

Hoofdstuk 11 Bloemen en bladeren

Inhoud

  1. De bloem
  2. Bosje bloemen
  3. Bladeren

Figuur 261. De bloem

Figuur 25We beseffen ons meestal niet, dat het uitbeelden van bloemen echt moeilijk is. Daarom is het verstandig om, vooral in het begin, de goede vormen uit te zoeken.

Zoek een platte bloemvorm, bijvoorbeeld margriet, en teken deze in hoofdvormen (figuur 25) (om een horizontale as gewenteld). De bloem bestaat uit een aantal blaadjes: de plaats van de blaadjes kan uit het bovenaanzicht overgebracht worden (figuur 26). Deze bloem is nog steeds stijfjes, omdat een bloem van boven gezien zelden rond en van opzij Figuur 27gezien zelden zuiver ellipsvormig is. Meestal heeft het in die stand iets weg van een fietswiel dat in de verdrukking is geweest (figuur 27).

Figuur 28Houdt de bloem nu in een andere richting vast en kantel hem zowel voor- als achterover. Teken ze weer in die standen en gebruik gerust hulplijnen voor het assenkruis. Formeer deze standen in een bosje (figuur 28). Zoek  nu een kegelvormige bloem en een bloem, die een combinatie van de twee vormen is (figuur 29). Oefen hiermee op dezelfde manier als met de margriet.

Figuur 29Leuk om te proberen is:
Neem drie stukjes getint papier. Knip hieruit in meerdere exemplaren en standen drie bloemenvormen.
—> ordenen tot een bosje en opplakken.

2. Bosjes bloemen

Als we een bosje bloemen willen tekenen, is het nodig, dat we de bloem en bladtypen, welke hier voorkomen stuk voor stuk goed bestuderen.

  • Maak eerst een schets (met potlood)
  • Los de problemen op door het gebruik van hulpconstructies 
  • Zet vervolgens wat tonen aan, door met een zacht potlood wat variatie in de lijndikte te brengen
  • Daarna tinten aanbrengen
    • voorlopig maar eerst drie hoofdtinten:
    - donker
    - midden
    - licht
  • Hierna afwerken door in de tinten de schaduwen aan te brengen
  • Ook hierbij kan je de schaduwen het gemakkelijkst herkennen door door bijna dichtgeknepen oogleden heen te kijken

Noot

  • werk luchtig en vlot
  • ga bij het schaduw inwerken niet gelijk zwaar werken en op één  plaats: probeer het voorzihtig aan en over de hele tekening heen.

3. Bladeren

Figuur 30Bladeren zijn meestal een achtergebleven gebied:
  • men vindt de bloem het belangrijkst
  • goed tekenen van bladeren is niet eenvoudig, vooral omdat ze meestal half verscholen zitten, zoat je niet goed kan zien, hoe ze lopen.

Als we niet precies weten hoe het in elkaar zit, gebruik dan deze hulpgegevens:

  • teken om het blad heen zijn omgeschreen rechthoekvorm en zet deze in de juiste wijkrichting (paralellogram)
  • knik deze in de juiste stand voor een geknikt blad (figuur 30)
  • buig deze in de gewenste krul (figuur 31)

Figuur 31 Uitgaande van de wijklijn en de rechthoekvorm neem je gemakshalve aan, dat de richting van de voorste lange rechthoekszijde gelijk is aan die van de achterste, ofwel de korte rechthoekszijden en de raaklijnen dezelfde richting hebben. (Dit is natuurlijk in werkelijkheid niet altijd zo - denk aan gedraaide bladeren). Voor ons doel is dit uitgangspunt goed bruikbaar.

 Oefening

Teken een bosje gekrulde en geknikte bladeren en als je vastloopt, uitwerken volgens figuren 30 en 31.

Hoofdstuk 12 Licht, schaduw en reflex

Voorbeeld 75
Voorbeeld 77

Voor het juist aangeven van licht, schaduw en reflex is inzicht nodig hoe dit tot stand komt. Daar waar het licht loodrecht op het voorwerp botst, ontstaat glimlicht, glimstrooilicht. Dat deel dat nog direct licht ontvangt is de lichtzijde en daar, waar de stralen langs het voorwerp schieten, begint de schaduwzijde.

Maar een voorwerp staat in de ruimte en dus wordt het aan de schaduwzijde, door het teruggekaatst licht, iets lichter.

Daar, waar de lichtstralen heen en teruggekaatst, net langs het voorwerp schieten, is het voorwerp het donkerst en deze strook is dus de tegenhanger van het glimlicht en bevindt zich, ruimtelijk gesproken, onder een hoek van 90o hiermee.

Voorbeeld 76
Voorbeeld 78
Voorbeeld 79

Opgave

Stel nu uit kegel-, cylinder- of bolvorm enkele potjes of pulletjes samen en teken deze.

Maak, als het goed is, een soortgelijk stilleven met aandacht op toonverhouding en kleur. Begin met de achtergrond en kom hier niet meer op terug.