Op deze website vindt u teken tips, zoals deze in 1985-1986 door mijn vriend Jan Heijenga zijn geschreven. In 2007 heb ik zijn cursus voor het eerst gezien en was onder de indruk van het feit dat hij zo goed kon aangeven waarnaar gekeken moet worden, wat het wezenlijke is, om iets goed weer te geven.
Als kado voor zijn 72e verjaardag heb ik Jan aangeboden deze cursus openbaar te maken middels deze website. Jan van harte gefeliciteerd en ik hoop dat veel mensen er net veel plezier aan beleven als jij dat had toen je deze cursus in elkaar hebt gezet.
Ik nodig iedereen uit om de bij de Reacties zijn/haar ideeën, tips, etc. uit te wisselen met anderen. De opzet is om elkaar te helpen, niet om „vervelende discussies” aan tegaan. Ik behoud me het recht voor om, mijns inziens, ongewenst taalgebruik, ongewenste discussies te verwijderen en personen de toegang tot het forum te ontzeggen.
Joep Bär
Iedereen kan leren tekenen.
Tekenen is het tot ontplooing brengen van een ingeboren, maar nog niet ontwikkeld coördineren van ogen hersenen en handen; uw ogen zien, uw hersenen leggen het beeld vast en uw handen geven het weer.
Het maken van een tekening of een schilderij wordt door een aantal mensen met een waas van geheimzinnigheid omgeven: als zou je pas iets aanvaardbaars kunnen produceren wanneer je iets moois hebt met een of andere muse. Dat is natuurlijk onzin. Natuurlijk zijn er in de loop der tijden kunstenaars geweest die een onnavolgbaar kunstwerk konden scheppen. Zij hadden gemeen met de veel en veel grotere groep van minder gebaafde tekenaars en schilders, dat zij het vak beheersen. Tekenen en schilderen is net zo’n vak als timmerman of metselaar en vakmanschap is nog altijd meesterschap.
Dit is nu een belangrijke stelling. U zult dus in ieder geval moeten leren:
Bovendien moet u theoretische kennis opdoen, zoals:
Laat u echter niet door het voorgaande afschrikken.
In de komende tijd zullen we samen spelenderwijs door de stof heenwandelen, waarbij ons gemeenschappelijke doel moet zijn, het gezamenlijk plezier hebben in het tekenen, of het nu thuis een stilleven, een modetekening of een portret van uw (klein-)kind of buiten een landschap of dieren, of noem maar op is.
Voorwaarde is en blijft echter, dat u serieus met uw hobby bezig bent, ook als het onderwerpen betreft, die u minder aanspreken, maar die nodig zijn om uw kennis en kunde te verruimen, benodigd om het „vak” TEKENEN goed onder de knie te krijgen.
Ik wens u veel genoeglijke tekenuren toe.
Akersloot, voorjaar 1985
Benodigde materialen
Hoe houdt je je materiaal vast
Een plankje van bijvoorbeeld multiplex van 8 mm.
Aanbevolen maat ± 30x40 cm. (Is gemakkelijk mee naar buiten te nemen).
Gemaakt van gekristalliseerde koolstof
leverbaar in 16 gradaties: 9H … HB … 6B
aanbevolen:
* koop een goed merk in de speciaalzaak.
Gemaakt van niet gekristalliseerde koolstof
diepzwart en rul
leverbaar in 3 gradaties: hard - middel - zacht
aanbevolen: middel.
Iets minder rul dan conté
leverbaar in 5 gradaties.
voor het fijne werk op getint papier.
Gemaakt van kunstmatige houtskool
diepzwart en geeft gemakkelijk af
voor het vlotte werken.
Soort Siberisch krijt in kleur
- serie Hardtmuth nr. 95. grijs —> wit
- serie Hardtmuth nr. 40. zwart —> roodbruin.
Verkoolde takjes van een speciale boomsoort
wordt voornamelijk gebruikt om te schetsen
geeft zeer gemakkelijk af.
Natuurproduct van klei en kleurstoffen
zacht tot zeer zacht
gebruik vereist veel oefening.
Krijt met een bepaald vetgehalte
uitstekend en goedkoop materiaal
kwaliteit wordt bepaald door kleurintensiteit en vetgehalte.
aanbevolen: doos met minstens 24 kleuren.

Algemeen bekend artikel
ook leverbaar als waterverfpotlood
—> kleurstof kan met water en penseel over het papier worden verspreid
* koop een goed merk in de speciaalzaak.
Aanbevolen: zacht vlakgom bijvoorbeeld kneedgum
een propje vers witbrood kan ook heel goed dienst doen.
Een rolletje van vloeipapier met aan beide zijden een punt
wordt gebruikt om de kleurstof over het papier te verspreiden.
Vleugel van een kip met schellak aan het botgedeelte
wordt gebruikt om papier te reinigen (van vlakgom e.d.).
Potlood met de punt omhoog vasthouden tussen tussen duim en wijsvinger.
Overige vingers op het potlood en het eind ervan in de handpalm (zie figuur 1).
Duim van het papier afgewend.
Potlood losjes vasthouden
schetsen doe je vanuit de schouder en de elleboog en niet vanuit de pols
—> pols strakhouden
—> stand potlood niet veranderen
hand komt niet op het papier.
Potlood ongeveer vasthouden zoals je met schrijven doet, maar met de vingers en duim gestrekt
flink stuk van het potlood buiten de hand laten steken (zie figuur 2).
hand komt niet op papier
zonodig pols of elleboog op bord steunen en bewegingen maken vanuit elleboog en pols.
Krijtje afbreken op een lengte van 1,5 à 2 cm en vlak op papier leggen
vasthouden met duim en wijsvinger door het van richting te veranderen worden de lijnen breder of smaller.
Deze methode wordt vooral gebruikt voor het vullen van vlakken (zie figuur 3).
Voor het schetsen houdt je het krijtje met de dunne kant tussen duim en wijsvinger en licht je het aan de achterzijde iets omhoog (zie figuur 4).

Schetsen:
op de knie en met de vrije hand boven vasthouden.

Tekenen:
iets hellend op tafel leggen.
schetspapier en houtskool.
| hoofd + hals + romp | = benen | 1/2 hoogte | ![]() |
| bovenbenen | = onderbenen | 1/4 hoogte | |
| hoofd | 1/8 hoogte | ||
| hals + romp | 1/4 hoogte | ||
| bekken | 1/8 hoogte | ||
| arm + hand | - tot helft bovenbeen | ||
| elleboog |
- tot middel |
||
| hand |
- kleiner dan hoofd | ||
| voet |
- groter dan hoofd |
||
| schouderbreedte |
- 2 x hoofdbreedte |
||
| schouder / borsthoogte / middel | = 1/3 - 1/3 - 1/3 | ||
| tepelhoogte |
= midden van romp + hals |
||
| schouderhoogte |
= op 2/3 van benen - hoofd |

Zie figuur 10.
![]() |
![]() ![]() |
Inhoud
Stand 1 - naar model Stand 1 - naar modelNeem één van de standen uit figuur met één standbeen (figuur 13)
Dit is eigenlijk de werkwijze voor elke schets en daarna uitwerking tot tekening ! Opmerkingen:
|
|
|
Je gaat uiteraard weer uit van dezelfde grondmaten in het vooraanzicht. Het lichaam is ongeveer half zo dik als in het vooraanzicht (figuur 15).
De moeilijkheid zit hem in de goede vorm van: Denk eraan dat je bij de stand op één been zo mogelijk doorzicht hebt tussen de aremen en benen, dat maakt je tekening wat krachtiger.
Je mag best een houding overdrijven → Denk steeds aan het evenwicht Er zijn vele expressiestanden, zoals:
Bij de laatste zit het midden van de romp ongeveer midden tussen de voeten. |
![]() |
![]() |
![]() |
Merk op, dat, wanneer je een zittende figuur tekent (zie figuur 18), je een heel andere indeling van je papier krijgt:
- je figuur wordt:
Dit lijkt heel logisch en totaal geen problemen op te leveren. Toch vraagt het de nodige aandacht bij het opzetten van de schets.
Het poppetje in figuur 18 is natuurlijk de uitgangspositie en is feitelijk een stijve en wat onnatuurlijke weergave van zitten.
- Iemand die ontspannen en natuurlijk zit, zal altijd ietwat kantelen in het bekken.
→ Ook hier vindt je dus weer de S-lijn terug, zie ook figuur 10.
De wijze van werken is gelijk aan die van variaties op stand 1 naar model (figuur 19).
→ Denk altijd aan ontspanning en evenwicht.
![]() ![]() |

Plaats nu het model in de gewenste stand, maar ga, alvorens te schetsen, na of wij voor deze houding niet verstandiger zouden doen het paper in de breedte, of beter, in de hoogte te doen.
Als grondregel geldt:

Zoeken we naar een hulpmiddel voor de juiste plaatsing op het vlak, maak dan van karton een raampje, waarvan de binnenopening dezelfde verhouding heeft als het tekenpapier.
Let bij het schetsen op:
Nu kan het bij deze zijstanden gemakkelijk voorkomen dat wij van ons
model, door bepaalde armstanden bijvoorbeeld, iets of wat meer van de
romp of rugzijde zien.
→ Maak je geen zorgen, maar teken gewoon wat je ziet.
Papier met tussentint beïnvloed de werkwijze:
de tussentint is er al → alleen nog tinten en donkerder aangeven
het uitgaan van de tussentint en het werken met meerdere tinten beïnvloed het werktempo.
→ neem niet meer dan 10 minuten.
Ook bij de liggende mens houden we ons aan de verhoudingsnormen.
Om te tekenen is zo’n platliggende figuur helemaal niet leuk. Probeer daarom hieraan een meer interessant silhouet te geven door:
Dit soort schetsjes mag niet langer dan 5 minuten duren.

Als dit goed lukt, voer het dan uit met krijt op getint papier (8 - 10 minuten).
Als we het model in een leuke stand plaatsen, lopen we de kans dat we iets van de voor- of achterzijde van de romp zien. Dit maakt het tekenen iets moeilijker, maar de uitbeelding wordt interessanter. Het kan eigenlijk niet fout gaan als we de volgende volgorde aanhouden:
→ tekenen blijft de kunst van het weglaten.
![]() De bedoeling van deze schetsen is, dat ze een impressie weergeven. → je moet je er niet zo om bekommeren of bepaalde delen anatomisch helemaal verantwoord zijn. → Probeer wel een model te vinden dat door duidelijk gekleurde strakke kleding (maillot) of weinig kleding ons meer inzicht in de contouren van lichaam en ledematen geeft. |

Als we het been zo knikken, dat de hiel tegen de zitbeenknobbel aankomt, dan hebben we hier een basis voor een serie nieuwe standen.
Maak hier ook weer een reeks van standen van.
Werktijd: ± 5 minuten / schets.
Ga dan over op getinte krijtsoorten en ten slotte op getint papier. Tracht licht en donker door wat accenten te overdrijven en door zo hier en daar wat weg te laten.

Modeltekenen wordt een stuk moeilijker wanner we ons model niet recht van voren, niet precies van opzij, maar in een tussenstand zien.
Hierbij zie je zowel een stuk van de voorkant als van de zijkant.
We hebben al eerder gezegd dat er in principe twee mogelijkheden van tekenen zijn:

→ Probeer evenwicht te vinden, (leg het accent op de tegenpool van je instelling).
Een hulpmiddelHet gemakkelijkst zou het wezen als we een paspop bij de hand zouden hebben. Met zo’n paspop krijg je een aardig idee over:
impressie ¾ stand vrouw
![]() |
Denk nu een band onder oksels door → dit geeft borsttepelhoogte aan.
Kenmerkend aan iemand is:
Hieruit volgt, dat bij het maken van een portretschets de eerste aanzet van deze drie delen onze schets een herkenbaar beeld moet geven.
Voorbeeld:
Teken drie gelijke hoofdomtrekken (ei, met de punt naar beneden). Teken nu in:
==> je krijgt dan totaal verschillende types.

Volgorde van het schetsen (zie figuur 11):
==> op afstand kijken ==> indruk:
Als 1 niet goed ==> tekening is niet aantrekkelijk.
Als 2 en/of 3 niet goed ==> tekening overmaken.

==> minstens 10 maal proberen volgens voorbeeld figuur 12 jezelf te tekenen.
Duur schets: ± 10 minuten.
In het aangezicht zijn drie belangrijke delen:
In het ideale geval zijn die alle drie even groot.
In de praktijk komt dat zelden voor.
==> onderlinge verhoudingen goed opnemen.
Inleiding
Profiel tekenen naar model
Hierbij ontkom je er bijna niet aan om voorhoofd, neus, mond en kin aan te geven. Dit lijkt dus vrij moeilijk.
Als je deze onderdelen getekend hebt, kan het nog steeds voorkomen dat de tekening niet lijkt. Dat komt, omdat naast het voorhoofd, neus, mond en kin, ook de vorm van het hoofd (algemene indruk) en de verhoudingen een grote rol spelen.
Het is heel belangrijk dat je die twee goed leert zien.
Een hulpmiddeltje om dat te ontwikkelen is als volgt:
Wij zijn er bij deze drie silhouetten vanuit gegaan, dat de verhouding voorhoofd (vanaf de haarimplant) : neus : mond, kin = 1 : 1 : 1. Dit is ongeveer waar. Het is vanzelfsprekend dat hierop vele kleine afwijkingen mogelijk zijn. Bovendien is het profiel van een vrouw over het algemeen wat zachter en ronder dan dat van een man. En dit geldt ook weer voor een kind ten opzichte van een vrouw.
Bovenstaande houdt in, dat je veel basisprofielen kan maken (36 stuks).
| recht |
- gelijke delen |
- man - vrouw - kind |
| - voorhoofd groter |
- man - vrouw - kind |
|
| - neus groter |
- man - vrouw - kind |
|
| - mond / kin groter |
man vrouw kind |
|
| bol |
- idem |
- idem |
| hol | - idem |
- idem |
Daarnaast speelt ook nog de vorm van de onderdelen op zich een rol. Toch leert de praktijk, dat, wanneer je volgens deze methode te werk gaat en je steeds weer goed de specifieke kenmerken in je opneemt, het eigenlijk best wel mogelijk is om een herkenbaar silhouet van iemand te maken.
Maak eerst eens een aantal basisprofielen volgens het schema zonder daarvoor modellen te nemen. Ga daarmee door, totdat de verschillen je duidelijk zijn geworden.
Oefening 2
Probeer nu een silhouet te maken volgens model.
Voor het gemak zou je een lamp achter je model kunnen zetten, zodanig, dat je zelf niet in de lamp kijkt en dat het gezicht donker lijkt.
==> je ziet dan beter de contouren en je wordt niet afgeleid door onnodige details.
Het lijkt mij leuk en zinvol om zeker oefening 2 ook eens uit te voeren in knipwerk.
Je volgt hierin weer de inmiddels bekende methode.
Inleiding
Bomen en struiken
De ruimte
Ruimte met boom en struik
Dichtbij en ver weg 1
Dichtbij en ver weg 2
Het moeilijke met buitentekenen is, dat je te maken krijgt met veranderende lichtval in de loop van de dag, waardoor het karakter en ogenschijnlijk zelfs vaak de vormgeving van je onderwerp voortdurend veranderd.
Daarom is het noodzakelijk, dat je vooral voor deze vorm van tekenen, leert snel te werken.
|
Ga eens op stap en zoek een kale, karakteristieke boom op. Je kan dan twee heel belangrijke zaken herkennen:
Maak een aantal schetsen van bomen met hun groeiwijze en -ritme naar de natuur. Noot:
deze schetsen moeten snel en luchtig gemaakt worden.
(Zie het voorbeeld rechts onderaan). Wanneer je deze schetsen gemaakt hebt, moet je eens proberen of je een groepje bomen (liefst verschillende typen) bij elkaar kan schetsen.
Maak deze tekening op een stuk papier (bijvoorbeeld een stuk behangpapier) van 45 x 60 cm. Teken met syberisch krijt of houtskool. (Zie hier onder). ![]() |
|

De scheiding tussen deze beide is de horizon:
- deze bevindt zich op ooghoogte.
De onderlinge verhoudingen tussen de ruimte voor de lucht en die voor de grond kan uiteraard verschillen:
- zij is afhankelijk van hoe hoog je staat.
Dus:
Hierdoor vallen de „Hollandse luchten” ook zo op, immers: Nederland is een laag, vlak land, waardoor je meestal laag staat en dus relatief veel lucht ziet.

Maak de scheiding grond/lucht niet precies op de helft van je papier; dat doet niet prettig aan.
Ga nu op stap en zoek naar een omgeving welke zo veel mogelijk aan bovenstaande voldoet.
Natuurlijk tref je zo’n omgeving zelden aan, want meestal staat er wel her en daar een en ander aan struikjes of bomen. Die objecten in het landschap laten we bewust weg, want het gaat ons nu alleen om lucht en land.
Je zal zien, dat:
LUCHT : de intensiteit van de kleur en de structuurwerking van de wolken nemen van beneden naar boven toe.
LAND : naarmate de gronddichterbij is, neemt de intensiteit van de kleur en de werking in de structuur toe.
OF : hoe verder weg, des te minder
In een dwarsdoorsnede zou je je het zó voor kunnen stellen als links hiernaast.
Het valt waarschijnlijk op, dat je tekening door de kleurintensiteit en de structuur als het ware rond loopt.
We komen er later op terug.
Maak met wit en zwart krijt op getint papier een illusie van een landschap. Per schets maximaal 5 minuten.
Ga zolang door, totdat je een landschap hebt met wijkend grondvlak, dat bij de horizon in een hemelkoepel overgaat.
Teken op kladpapier het silhouet van een boom en knip dit uit.
Doe hetzelfde met bijvoorbeeld een struik.
Pak een van je ruimtestudies en probeer ze een juiste plaats te geven door ze te schuiven.
—> daarna vastplakken.
Teken een ander boomtype, maar nu met bladstructuur en doe hiermee hetzelfde.
Probeer een groepje bomen en struiken zowel in silhouet als in structuur op een ruimteschets te ordenen.
! Ga nu bijvoorbeeld weer naar een plantsoen en zoek een soortgelijke situatie uit.
Schets dit met wit en zwart krijt op getint papier.
==> Orden hierbij zonodig naar eigen idee.

Als we gewoon rechtop op de grond staan, is de afstand van ons tot aan de horizon bij een vlak landschap ongeveer 5 kilometer.
Alles in deze ruimte is ondergeschikt aan regels (zie bovenste voorbeeld):
Opmerking
Kleuren vervagen naarmate de afstand groter wordt in het algemeen naar een soort blauw.
- denk hierbij ook aan de kleur van de hemel.
Natuurlijk kan de kleur beïnvloed worden door een bepaalde lichtval, zoals zonsonder- of opgang.
Willen we nu ruimte gaan maken die voldoet aan de voorgaande regels, doen we er goed aan de ruimte in een aantal delen te verdelen. We noemen die delen wel „plans”.
Opgave 1We verdelen de ruimte in drie plans, te weten:
Schuif zodanig, dat je een leuk ontwerp hebt, waar diepte in zit.
Knip in de juiste tinten en grootte een boom of struik of meerdere van beide —> pas ze in in je ontwerp.
! Denk hierbij goed aan de juiste verhoudingen.
Wanneer het maken van een ruimteindeling door middel van knippen is gelukt, probeer het dan eens met behulp van getint papier met zwart en wit krijt. Bijvoorbeeld een zeegezicht.
Het heuvel- en berggebied heeft zijn eigen moeilijkheden. Het gemakkelijke is, dat de planmatige ordening van nature aanwezig is. Het moeilijke is, dat de ruimte veel groter is als het ware, ofwel ingewikkelder. We moeten veel meer aandacht besteden aan:
Probeer net als bij het vlakke landschap door middel van knippen en schuiven een berglandschap te componeren.
Het verdient waarschijnlijk aandacht om eerst een ruwe schets te maken, waarin de vier hoofdtinten door middel van een ordening wordt aangegeven:
Houdt het ontwerp vooral eenvoudig.
Gebruik wit papier en zwart krijt
OF
getint papier, zwart krijt en twee tinten grijs krijt.
Maak eerst een schets. Vul daarna, precies als bij opgave 2 in paragraaf 4. Dichtbij en ver weg 1, de voorgrond, middenplan en achtergrond, alsmede de lucht vlak in.
==> daarna elke heuvel en berg, alsmede de lucht naar boven toe iets donkerder aanzetten.
Het moeten echt snelle schetsen zijn, dus per tekening niet veel meer dan 15 minuten.

We houden ons aan de materialen, als aangegeven in opgave 2.
Probeer nu, door iets meer of minder op het krijtje te drukken, het aantal plans van 3 naar 6 en daarna naar 9 uit te breiden.
==> Denk er vooral aan, dat je schets rustig aan blijft doen en dat alle dieptewerking goed blijft. (Weet je nog: hoe verder weg, des te waziger!)
Tot nu toe hebben we de ordening in het berg- en heuvellandschap door middel van:
We moeten er dan in onze tekening goed op letten dat
Zie hiervoor ook paragraaf 4. Dichtbij en ver weg 1.

Als de opgaven 1 t/m 3 goed gelukt zijn, is het gebruik van kleur maar een klein stapje. De moeilijkheid is echter meestal de keuze van de kleur en dat is iets, dat je eigenlijk alleen maar ter plaatse goed kan bepalen:
Schets een berglandschap en werk het op met behulp van structuren. Gebruik als model bijvoorbeeld een vakantiefoto of een prentbriefkaart. Leg zo’n tekening, als hij klaar is, op een afstand en bekijk of de diepte-illusie goed is.
==> Tracht de fout te corrigeren; lukt dit niet, maak dan de tekening over.
Probeer ook eens voor zo’n landschap de serie rood-bruin-zwart krijtjes te gebruiken (Hardmuth nr. 210) en combineer met de grijsserie (Hardmuth nr. 95).
Inhoud
Onze plaats in de ruimte 1 Onze plaats in de ruimte 1
Als iemand van je weg loopt wordt hij steeds kleiner, totdat hij zover weg is van je, dat je slechts een stipje kan waarnemen. De hoogte voor de gezichtseinder wordt bepaald door de hoogte van het oog, dus hoe hoog we staan.
We weten dus dat, naarmate iemand verder van ons verwijderd is, deze kleiner lijkt.
Iets moeilijker wordt het, om voorwerpen die op regelmatige afstanden van elkaar tekenen, zoals palen.
|
|
Om te zorgen dat degene, die onze tekening bekijkt zich gemakkelijk in de door ons getekende ruimte kan orienteren, moeten we op het volgende letten:
Ga naar buiten en zoek plekjes waarbij de hiervoor beschreven situaties goed waar te nemen zijn.
—> schets met siberisch krijt op kladpapier (onbedrukt krantenpapier).

Enkele belangrijke regels, die we eigenlijk in het voorgaande al hebben besproken zijn:
Opmerking: deze regels zijn wiskundig niet helemaal waar: Opgave
Ontwerp zelf een „straat”. Voor details zonodig buiten een schets maken en thuis verwerken.
Alle horizontaal wijkende lijnen, welke in werkelijkheid evenwijdig lopen, maar in een andere richting wijkend vlak liggen hebben ook een ander verdwijnpunt.
Op grond van de 4 hoofdregels zijn we dus kennelijk in staat om ook veel ingewikkelder zaken, zoals een krom steegje perspectivisch redelijk weer te geven.
|
voorbeeld 36 |
Inhoud
Het perspectief Het perspectiefIn al het voorgaande hebben we gewerkt met perspectief, zonder nou precies te weten hoe dat gaat. Tekenen van perspectief is eigenlijk wiskunde toepassen, namelijk: beschrijvende meetkunde. Het is niet de bedoeling om de diepere roerselen hiervan aan u bij te brengen, maar alleen een toepassing hiervan en dan nog vrij oppervlakkig te behandelen om wat meer inzicht te krijgen. Verschillen tussen „zien” en perspectief tekenen
In de praktijk is men gekomen tot de volgende halve gezichtshoeken:
Ten slotte nog enkele verschillen
Zo accepteren onze hersenen ook geen rechte lijn die zich als een gebogen lijn aftekent (een brug onder een bepaalde hoek). Om een indruk te krijgen wat er nu eigenlijk met het perspectief gebeurt, wordt dat hier links in twee eenvoudige voorbeelden weergegeven. Waar we het eerder er steeds over hadden, dat de lijnen in vlakken naar vluchtpunten gaan, kan je in voorbeeld 44 zien, hoe dat gebeurt. Voor het maken van buitenschetsen heb je de constructiemethode niet direct nodig, maar het is wel fijn om te weten, waarom bepaalde dingen er uit zien zoals ze er uit zien. Op de twee onderstaande tekeningen wordt aangegeven hoe je een perspectieftekening van een huis kan maken. |
|
![]() |
![]() |
![]() |
| voorbeeld 47 |
Als je de schetsjes uit de vorige paragraaf goed bekijkt, dan kom je tot de conclusie, dat meestal één van de vluchtpunten zo ver weg ligt, dat hij buiten je tekenpapier of zelfs buiten het tafelblad valt. Er zijn twee methoden:
V2 valt buiten de figuur (zie voorbeeld 48):
![]() |
| voorbeeld 48 |
1. De straat is ook de kamer
2. De kamer is ook de straat
3. Weerspiegeling 1
4. Licht, schaduw, slagschaduw 1
5. Dichtbij en ver weg
6. Weerspiegeling 2
7. Licht, schaduw, slagschaduw 2
Het is vanzelfsprekend, dat de regels van het perspectief zowel voor binnen als buiten gelden.

- Aangezien we bij een interieur ook horizontaal wijkende lijnen in zowel het grondvlak als op het plafond kunnen aantreffen, zou je, om het vlotte schetsen te kunnen bevorderen, vooraf een reeks wijklijnen kunnen trekken.
Schets met behulp van deze wijklijnen met krijt een interieur.
Denk vooral om de juiste onderlinge verhoudingen.
! Houdt het voorlopig bij schetsen;
- besteedt niet teveel aandacht aan details van persoonlijke spulletjes.
Maak ook eens soortgelijke schetsen van andere ruimten, zoals de zolder e.d.
Probeer ook eens een trap.
|
Vele keren hebben we vastgesteld dat:
Met deze regels is het mogelijk een hoek van een kamer te tekenen (zie voorbeeld 55). OpgaveSchets kamerhoekjes en let vooral op de juiste verhoudingen.
—> op afstand bestuderen, zonodig corrigeren. Van de kamerhoek naar de straathoek is nu nog maar een klein stapje. Schets zoiets eerst thuis. Lukt dit, ga dan naar buiten om nieuwe ideeën op te doen en probeer ze thuis in een schets te verwerken. Pas als dit schetsen vlot gaat, kan je met succes buiten werken.
! Het moeilijkste bij buiten tekenen is: uitmaken wat belangrijk is en wat niet. OEFENEN
|
Zie voorbeeld 56: ook hier kan je een stel vluchtlijnen naar V1 en V2 van te voren op je papier zetten. |

Als je een paal in het water ziet staan en het water is rustig, dan zie je vanaf het punt dat de paal de waterspiegel bereikt er een tegenovergesteld beeld ontstaat, wat de illusie geeft even groot te zijn als de paal zelf.
Met deze regel als basis, is het mogelijk om elke weerspiegeling te berekenen.
Op het voorbeeld rechts: een rechte en scheve paal en een vlondertje.

Probeer zelf wat van deze situaties te schetsen:
Denk er steeds aan, dat op de waterlijn het spiegelbeeld begint, dus:
Als een paaltje op de oever staat, moet je de waterlijn doordenken.
Als dit duidelijk is, maak dan een eenvoudig bouwsel aan de waterkant.
|
We gaan uit van een klein schuurtje. Wanneer we dit precies met licht, schaduw en slagschaduw zouden willen uitbeelden, dan moet je dat langs constructieve weg doen, ofwel
! Door deze wijze van werken gaat veel van de aandacht verloren. Een eenvoudiger manier met goed resultaat is:
—> begin met de donkerste tinten.
Gaat het goed, vervang dan het siberisch krijt door de grijze of roodbruine tintsoorten. OpgaveMaak een eenvoudig bouwsel aan de waterkant.
Als je nu je technische schets gereed hebt, kan je hem verder opwerken (zie onderste tekening).
|
![]() ![]() ![]() |
Voor een belangrijk deel hebben we ons bij het weergeven van de diepte-illusie op het platte (teken)vlak tot het perspectief door middel van lijnen beperkt.
Nu nog even iets over het kleuren perspectief.
De regel dat, naarmate iets verder van ons verwijderd is, de intensiteit aan kleur- (en structuur) werking afneemt, was ons al bekend. Maar wat zijn deze kleuren dan?
—> reeds in de 17e eeuw kende men hiervoor de volgende ordening:
Merkwaardig genoeg zijn deze 17e eeuwse regels met een correctie op punt 1 (donkerbruin vervangen door intens werkende pure kleuren) ook vandaag nog van kracht.
Ga op zoek naar een nogal open landschap, schets dit direct in kleur en leg het accent op de diepte-illusie.
—> durf hierbij de kleuren op de voorgrond te overdrijven, waardoor de illusie dichtbij - ver weg nog groter wordt.
|
Het eerste is meestal reeds door een juiste tekening te bereiken. OpgaveMaak een aantal waterstudies met behulp van:
|
De illusie van plasticiteit bij voorwerpen kunnen we versterken door hierbij licht, schaduw en slagschaduw aan te brengen.
|
![]() Voorbeeld 64 ![]() Voorbeeld 65 |
Neem eens een appel en snijdt deze horizontaal door (figuur 31).
De verschijningsvormen van het snijvlak bij de verschillende stadia van kantelen noemen we ellipsen.
Probeer ellipsen in allerlei standen vlot uit de hand te schetsen.
—> zorg ervoor dat ze aan de einden van de lange as niet puntig zijn en in de tussenstukken niet vlak.
Als je ellips wat nauwkeuriger wilt tekenen, maak dan gebruik van een assenkruis. De as, waarom het vlak gewenteld wordt, heet de lange as. De as die hier loodrecht op staat en dus kantelt, de korte as. De lange as verandert niet van lengte, de korte as wel.
Wanneer je nu een recht glas neemt kan je hetzelfde verschijnsel waarnemen. Bovendien valt op, dat de ronde zijde die het dichtst bij de ooghoogte zit, de langste korte as heeft. Dit wordt veroorzaakt door de hoek waaronder je dat vlak ziet: maak hier wat studies van !
Kon je bij het glas zien dat de zijkanten evenwijdig aan elkaar lepen, bij een kegelvorm lopen ze naar één punt. Het principe blijft echter gelijk; ook hier zie je bij kantelen:

Wanneer je dit systeem van tekenen goed beheerst, is het in een later stadium vrij eenvoudig om op de juiste manier het spel van licht en donker, van licht, schaduw en reflex in te schetsen.
Voor het erbij tekenen van hengels, oren, bovenranden en dergelijke, kan een vertikale of horizontale doorsnede een steuntje geven.
Bij het kroesje loopt overigens de lange as van de ellips horizontaal.
In welke stand we nu het kroesje zetten of leggen, de theorie blijft hetzelfde.Maak een pillendoosje met open dekseltje tegen een donkere achtergrond.
1. De bloem
We beseffen ons meestal niet, dat het uitbeelden van bloemen echt moeilijk is. Daarom is het verstandig om, vooral in het begin, de goede vormen uit te zoeken.
Zoek een platte bloemvorm, bijvoorbeeld margriet, en teken deze in hoofdvormen (figuur 25) (om een horizontale as gewenteld). De bloem bestaat uit een aantal blaadjes: de plaats van de blaadjes kan uit het bovenaanzicht overgebracht worden (figuur 26). Deze bloem is nog steeds stijfjes, omdat een bloem van boven gezien zelden rond en van opzij
gezien zelden zuiver ellipsvormig is. Meestal heeft het in die stand iets weg van een fietswiel dat in de verdrukking is geweest (figuur 27).
Houdt de bloem nu in een andere richting vast en kantel hem zowel voor- als achterover. Teken ze weer in die standen en gebruik gerust hulplijnen voor het assenkruis. Formeer deze standen in een bosje (figuur 28). Zoek nu een kegelvormige bloem en een bloem, die een combinatie van de twee vormen is (figuur 29). Oefen hiermee op dezelfde manier als met de margriet.
Leuk om te proberen is:
Neem drie stukjes getint papier. Knip hieruit in meerdere exemplaren en standen drie bloemenvormen.
—> ordenen tot een bosje en opplakken.
Als we een bosje bloemen willen tekenen, is het nodig, dat we de bloem en bladtypen, welke hier voorkomen stuk voor stuk goed bestuderen.
Bladeren zijn meestal een achtergebleven gebied:Als we niet precies weten hoe het in elkaar zit, gebruik dan deze hulpgegevens:
Uitgaande van de wijklijn en de rechthoekvorm neem je gemakshalve aan, dat de richting van de voorste lange rechthoekszijde gelijk is aan die van de achterste, ofwel de korte rechthoekszijden en de raaklijnen dezelfde richting hebben. (Dit is natuurlijk in werkelijkheid niet altijd zo - denk aan gedraaide bladeren). Voor ons doel is dit uitgangspunt goed bruikbaar.
Teken een bosje gekrulde en geknikte bladeren en als je vastloopt, uitwerken volgens figuren 30 en 31.
![]() ![]() |
Voor het juist aangeven van licht, schaduw en reflex is inzicht nodig hoe dit tot stand komt. Daar waar het licht loodrecht op het voorwerp botst, ontstaat glimlicht, glimstrooilicht. Dat deel dat nog direct licht ontvangt is de lichtzijde en daar, waar de stralen langs het voorwerp schieten, begint de schaduwzijde. Maar een voorwerp staat in de ruimte en dus wordt het aan de schaduwzijde, door het teruggekaatst licht, iets lichter. Daar, waar de lichtstralen heen en teruggekaatst, net langs het voorwerp schieten, is het voorwerp het donkerst en deze strook is dus de tegenhanger van het glimlicht en bevindt zich, ruimtelijk gesproken, onder een hoek van 90o hiermee. |
![]() ![]() |
![]() OpgaveStel nu uit kegel-, cylinder- of bolvorm enkele potjes of pulletjes samen en teken deze. Maak, als het goed is, een soortgelijk stilleven met aandacht op toonverhouding en kleur. Begin met de achtergrond en kom hier niet meer op terug. |
||