Hoofdstuk 6 Buiten tekenen

Inhoud

Inleiding
Bomen en struiken
De ruimte
Ruimte met boom en struik
Dichtbij en ver weg 1
Dichtbij en ver weg 2

Inleiding

Het moeilijke met buitentekenen is, dat je te maken krijgt met veranderende lichtval in de loop van de dag, waardoor het karakter en ogenschijnlijk zelfs vaak de vormgeving van je onderwerp voortdurend veranderd.

Daarom is het noodzakelijk, dat je vooral voor deze vorm van tekenen, leert snel te werken.

Voor deze tekenwijze moet je een aantal vaardigheden aangeleerd hebben:

1. Bomen en struiken

  

  

Ga eens op stap en zoek een kale, karakteristieke boom op.

Je kan dan twee heel belangrijke zaken herkennen:

  • Groeiwijze: hoe is de stam, bijvoorbeeld:
    • lang en spichtig
    • kort en gedrongen
    • met of zonder uitstulpingen
    • recht of krom.
    Zie figuur 23, nrs 1, 2 en 3.
  • Groeiritme: wijze waarop de takken zicht verspreiden.
    Zie figuur 23, nrs 4, 5 en 6 en figuur 24.

Maak een aantal schetsen van bomen met hun groeiwijze en -ritme naar de natuur.
Probeer ze voor jezelf te herkennen als soort.

Noot:

deze schetsen moeten snel en luchtig gemaakt worden.

  • je moet vooral niet alle takjes en twijgjes tekenen: het gaat om de hoofdlijnen
  • in de stam kan je een heel schetsmatig structuurtje aangeven (zie bijvoorbeeld figuur 23)
  • denk eraan, dat de boom vanuit de grond groeit:
    • bodem wat accentueren
    • takken en stam van dik naar dun (kan heel leuk met een krijtje of pijpje houtskool).

(Zie het voorbeeld rechts onderaan).

Wanneer je deze schetsen gemaakt hebt, moet je eens proberen of je een groepje bomen (liefst verschillende typen) bij elkaar kan schetsen.

  • besteed vooral niet te veel aandacht aan de omgeving van die bomen, daar komen we later wel op terug.
  • zorg er voor, dat ze niet „in de lucht zweven”, geef per boom even een aanzetje van de grond.

Maak deze tekening op een stuk papier (bijvoorbeeld een stuk behangpapier) van 45 x 60 cm. Teken met syberisch krijt of houtskool. (Zie hier onder).

Figuur 24a

Figuur 23


Figuur 24


Figuur 23b

2. De ruimte

Voorbeeld 19

De ruimte is opgebouwd uit twee hoofdbestanddelen, te weten:
  • lucht
  • grond

De scheiding tussen deze beide is de horizon:
- deze bevindt zich op ooghoogte.

De onderlinge verhoudingen tussen de ruimte voor de lucht en die voor de grond kan uiteraard verschillen:
- zij is afhankelijk van hoe hoog je staat.

 Dus:

  • sta je hoog
    • weinig lucht
    • veel grond
  • sta je laag
    • veel lucht
    • weinig grond.

Hierdoor vallen de „Hollandse luchten” ook zo op, immers: Nederland is een laag, vlak land, waardoor je meestal laag staat en dus relatief veel lucht ziet.

Voorbeeld 20

Maak de scheiding grond/lucht niet precies op de helft van je papier; dat doet niet prettig aan.

Ga nu op stap en zoek naar een omgeving welke zo veel mogelijk aan bovenstaande voldoet.
Natuurlijk tref je zo’n omgeving zelden aan, want meestal staat er wel her en daar een en ander aan struikjes of bomen. Die objecten in het landschap laten we bewust weg, want het gaat ons nu alleen om lucht en land.

Je zal zien, dat:
LUCHT : de intensiteit van de kleur en de structuurwerking van de wolken nemen van beneden naar boven toe.

LAND : naarmate de gronddichterbij is, neemt de intensiteit van de kleur en de werking in de structuur toe.

OF : hoe verder weg, des te minder

  • kleurintensiviteit
  • structuurwerking

voorbeeld 21 In een dwarsdoorsnede zou je je het zó voor kunnen stellen als links hiernaast.

Het valt waarschijnlijk op, dat je tekening door de kleurintensiteit en de structuur als het ware rond loopt.

We komen er later op terug.

  

Opgave

Maak met wit en zwart krijt op getint papier een illusie van een landschap. Per schets maximaal 5 minuten.

Ga zolang door, totdat je een landschap hebt met wijkend grondvlak, dat bij de horizon in een hemelkoepel overgaat.

3. Ruimte met boom en struik

voorbeeld 22 Teken op kladpapier het silhouet van een boom en knip dit uit.
Doe hetzelfde met bijvoorbeeld een struik.

Pak een van je ruimtestudies en probeer ze een juiste plaats te geven door ze te schuiven.
—> daarna vastplakken.

Teken een ander boomtype, maar nu met bladstructuur en doe hiermee hetzelfde.

Probeer een groepje bomen en struiken zowel in silhouet als in structuur op een ruimteschets te ordenen.

! Ga nu bijvoorbeeld weer naar een plantsoen en zoek een soortgelijke situatie uit.

Schets dit met wit en zwart krijt op getint papier.

==> Orden hierbij zonodig naar eigen idee.

4. Dichtbij en ver weg 1

voorbeeld 23

Als we gewoon rechtop op de grond staan, is de afstand van ons tot aan de horizon bij een vlak landschap ongeveer 5 kilometer.

Alles in deze ruimte is ondergeschikt aan regels (zie bovenste voorbeeld):

  1. naarmate iets verder van ons verwijderd is, lijkt het kleiner
  2. de kleurintensiteit en de duidelijkheid van de vormen nemen naarmate de afstand groter wordt, sterk af
  3. de werking van de structuur neemt hierbij eveneens af.

Opmerking
Kleuren vervagen naarmate de afstand groter wordt in het algemeen naar een soort blauw.
- denk hierbij ook aan de kleur van de hemel.

Natuurlijk kan de kleur beïnvloed worden door een bepaalde lichtval, zoals zonsonder- of opgang.

Willen we nu ruimte gaan maken die voldoet aan de voorgaande regels, doen we er goed aan de ruimte in een aantal delen te verdelen. We noemen die delen wel „plans”.

voorbeeld 24Opgave 1

We verdelen de ruimte in drie plans, te weten:

  • voorgrond
  • middenplan
  • achtergrond.
We nemen hiervoor:
  • 1 vel wit papier
  • 3 vellen getint papier in aflopende kleur, bijvoorbeeld zwart, grijs en licht grijs.
Maak middels knippen:
  • zwart = voorgrond
  • grijs = middenplan + wolken
  • lichtgrijs = achtergrond.

Schuif zodanig, dat je een leuk ontwerp hebt, waar diepte in zit.
Knip in de juiste tinten en grootte een boom of struik of meerdere van beide —> pas ze in in je ontwerp.

! Denk hierbij goed aan de juiste verhoudingen.

Opgave 2

Wanneer het maken van een ruimteindeling door middel van knippen is gelukt, probeer het dan eens met behulp van getint papier met zwart en wit krijt. Bijvoorbeeld een zeegezicht.

5. Dichtbij en ver weg 2

voorbeeld 25Het heuvel- en berggebied heeft zijn eigen moeilijkheden. Het gemakkelijke is, dat de planmatige ordening van nature aanwezig is. Het moeilijke is, dat de ruimte veel groter is als het ware, ofwel ingewikkelder. We moeten veel meer aandacht besteden aan:
  • tekening
  • juiste verhoudingen
  • bijpassende structuren.

Opgave 1

Probeer net als bij het vlakke landschap door middel van knippen en schuiven een berglandschap te componeren.
Het verdient waarschijnlijk aandacht om eerst een ruwe schets te maken, waarin de vier hoofdtinten door middel van een ordening wordt aangegeven:

  • wit
  • licht grijs
  • grijs
  • zwart.

voorbeeld 26Houdt het ontwerp vooral eenvoudig.

Opgave 2

Gebruik wit papier en zwart krijt
OF
getint papier, zwart krijt en twee tinten grijs krijt.

Maak eerst een schets. Vul daarna, precies als bij opgave 2 in paragraaf 4. Dichtbij en ver weg 1, de voorgrond, middenplan en achtergrond, alsmede de lucht vlak in.
==> daarna elke heuvel en berg, alsmede de lucht naar boven toe iets donkerder aanzetten.

Het moeten echt snelle schetsen zijn, dus per tekening niet veel meer dan 15 minuten.

  

Opgave 3

voorbeeld 27

We houden ons aan de materialen, als aangegeven in opgave 2.

Probeer nu, door iets meer of minder op het krijtje te drukken, het aantal plans van 3 naar 6 en daarna naar 9 uit te breiden.

==> Denk er vooral aan, dat je schets rustig aan blijft doen en dat alle dieptewerking goed blijft. (Weet je nog: hoe verder weg, des te waziger!)

Tot nu toe hebben we de ordening in het berg- en heuvellandschap door middel van:

  • tinten
  • tintnuanceringen
bereikt. Dit kan ook bereikt worden met behulp van
  • structuren.

We moeten er dan in onze tekening goed op letten dat

  • naar mate het verder weg is, lijkt een object kleiner
  • neemt de structuurintensiteit af.

Zie hiervoor ook paragraaf 4. Dichtbij en ver weg 1.

  

Kleur

voorbeeld 28

Als de opgaven 1 t/m 3 goed gelukt zijn, is het gebruik van kleur maar een klein stapje. De moeilijkheid is echter meestal de keuze van de kleur en dat is iets, dat je eigenlijk alleen maar ter plaatse goed kan bepalen:

  • kleur
  • intensiteit
  • lichtval.
Wacht daarom liever met kleur tot de eerstvolgende vakantietrip en houdt dan als richtlijn aan:
  • dichtbij: kleur is in zijn volle intensiteit te zien
  • ver weg: kleur verliest aan inensiteit en verblauwd
  • zon en warmte: kleuren verbleken en er komt als het ware een waas over het landschap.

Opgave 4

Schets een berglandschap en werk het op met behulp van structuren. Gebruik als model bijvoorbeeld een vakantiefoto of een prentbriefkaart. Leg zo’n tekening, als hij klaar is, op een afstand en bekijk of de diepte-illusie goed is.
==> Tracht de fout te corrigeren; lukt dit niet, maak dan de tekening over.

Probeer ook eens voor zo’n landschap de serie rood-bruin-zwart krijtjes te gebruiken (Hardmuth nr. 210) en combineer met de grijsserie (Hardmuth nr. 95).