Hoofdstuk 11 Bloemen en bladeren

Inhoud

  1. De bloem
  2. Bosje bloemen
  3. Bladeren

Figuur 261. De bloem

Figuur 25We beseffen ons meestal niet, dat het uitbeelden van bloemen echt moeilijk is. Daarom is het verstandig om, vooral in het begin, de goede vormen uit te zoeken.

Zoek een platte bloemvorm, bijvoorbeeld margriet, en teken deze in hoofdvormen (figuur 25) (om een horizontale as gewenteld). De bloem bestaat uit een aantal blaadjes: de plaats van de blaadjes kan uit het bovenaanzicht overgebracht worden (figuur 26). Deze bloem is nog steeds stijfjes, omdat een bloem van boven gezien zelden rond en van opzij Figuur 27gezien zelden zuiver ellipsvormig is. Meestal heeft het in die stand iets weg van een fietswiel dat in de verdrukking is geweest (figuur 27).

Figuur 28Houdt de bloem nu in een andere richting vast en kantel hem zowel voor- als achterover. Teken ze weer in die standen en gebruik gerust hulplijnen voor het assenkruis. Formeer deze standen in een bosje (figuur 28). Zoek  nu een kegelvormige bloem en een bloem, die een combinatie van de twee vormen is (figuur 29). Oefen hiermee op dezelfde manier als met de margriet.

Figuur 29Leuk om te proberen is:
Neem drie stukjes getint papier. Knip hieruit in meerdere exemplaren en standen drie bloemenvormen.
—> ordenen tot een bosje en opplakken.

2. Bosjes bloemen

Als we een bosje bloemen willen tekenen, is het nodig, dat we de bloem en bladtypen, welke hier voorkomen stuk voor stuk goed bestuderen.

  • Maak eerst een schets (met potlood)
  • Los de problemen op door het gebruik van hulpconstructies 
  • Zet vervolgens wat tonen aan, door met een zacht potlood wat variatie in de lijndikte te brengen
  • Daarna tinten aanbrengen
    • voorlopig maar eerst drie hoofdtinten:
    - donker
    - midden
    - licht
  • Hierna afwerken door in de tinten de schaduwen aan te brengen
  • Ook hierbij kan je de schaduwen het gemakkelijkst herkennen door door bijna dichtgeknepen oogleden heen te kijken

Noot

  • werk luchtig en vlot
  • ga bij het schaduw inwerken niet gelijk zwaar werken en op één  plaats: probeer het voorzihtig aan en over de hele tekening heen.

3. Bladeren

Figuur 30Bladeren zijn meestal een achtergebleven gebied:
  • men vindt de bloem het belangrijkst
  • goed tekenen van bladeren is niet eenvoudig, vooral omdat ze meestal half verscholen zitten, zoat je niet goed kan zien, hoe ze lopen.

Als we niet precies weten hoe het in elkaar zit, gebruik dan deze hulpgegevens:

  • teken om het blad heen zijn omgeschreen rechthoekvorm en zet deze in de juiste wijkrichting (paralellogram)
  • knik deze in de juiste stand voor een geknikt blad (figuur 30)
  • buig deze in de gewenste krul (figuur 31)

Figuur 31 Uitgaande van de wijklijn en de rechthoekvorm neem je gemakshalve aan, dat de richting van de voorste lange rechthoekszijde gelijk is aan die van de achterste, ofwel de korte rechthoekszijden en de raaklijnen dezelfde richting hebben. (Dit is natuurlijk in werkelijkheid niet altijd zo - denk aan gedraaide bladeren). Voor ons doel is dit uitgangspunt goed bruikbaar.

 Oefening

Teken een bosje gekrulde en geknikte bladeren en als je vastloopt, uitwerken volgens figuren 30 en 31.