1. De bloem
We beseffen ons meestal niet, dat het uitbeelden van bloemen echt moeilijk is. Daarom is het verstandig om, vooral in het begin, de goede vormen uit te zoeken.
Zoek een platte bloemvorm, bijvoorbeeld margriet, en teken deze in hoofdvormen (figuur 25) (om een horizontale as gewenteld). De bloem bestaat uit een aantal blaadjes: de plaats van de blaadjes kan uit het bovenaanzicht overgebracht worden (figuur 26). Deze bloem is nog steeds stijfjes, omdat een bloem van boven gezien zelden rond en van opzij
gezien zelden zuiver ellipsvormig is. Meestal heeft het in die stand iets weg van een fietswiel dat in de verdrukking is geweest (figuur 27).
Houdt de bloem nu in een andere richting vast en kantel hem zowel voor- als achterover. Teken ze weer in die standen en gebruik gerust hulplijnen voor het assenkruis. Formeer deze standen in een bosje (figuur 28). Zoek nu een kegelvormige bloem en een bloem, die een combinatie van de twee vormen is (figuur 29). Oefen hiermee op dezelfde manier als met de margriet.
Leuk om te proberen is:
Neem drie stukjes getint papier. Knip hieruit in meerdere exemplaren en standen drie bloemenvormen.
—> ordenen tot een bosje en opplakken.
Als we een bosje bloemen willen tekenen, is het nodig, dat we de bloem en bladtypen, welke hier voorkomen stuk voor stuk goed bestuderen.
Bladeren zijn meestal een achtergebleven gebied:Als we niet precies weten hoe het in elkaar zit, gebruik dan deze hulpgegevens:
Uitgaande van de wijklijn en de rechthoekvorm neem je gemakshalve aan, dat de richting van de voorste lange rechthoekszijde gelijk is aan die van de achterste, ofwel de korte rechthoekszijden en de raaklijnen dezelfde richting hebben. (Dit is natuurlijk in werkelijkheid niet altijd zo - denk aan gedraaide bladeren). Voor ons doel is dit uitgangspunt goed bruikbaar.
Teken een bosje gekrulde en geknikte bladeren en als je vastloopt, uitwerken volgens figuren 30 en 31.