Zoeken
Navigatie
Gebruikerslogin
Hoofdstuk 4 Begin van portrettekenen
Portret van voren
Kenmerkend aan iemand is:
- vorm hoofd
- lengte hals
- stand van de schouders.
Hieruit volgt, dat bij het maken van een portretschets de eerste aanzet van deze drie delen onze schets een herkenbaar beeld moet geven.
Voorbeeld:
Teken drie gelijke hoofdomtrekken (ei, met de punt naar beneden). Teken nu in:
- schouderaanzet
- hals
- elke kop verschillend
==> je krijgt dan totaal verschillende types.

Volgorde van het schetsen (zie figuur 11):
- vorm van het hoofd
- lengte van de hals
- stand van de schouders
- haar inschetsen —> portret moet nu al lijken
- kledingaanzet
- hoofdtinten aanbrengen
- donker, bijvoorbeeld haar
- midden, bijvoorbeeld kleding
- licht, bijvoorbeeld huid
==> op afstand kijken ==> indruk:
- - vaag of aarzelend
- tintverhouding
- aanzet lijnen - - vorm hoofd
- volume haar - - stand + breedte schouders
- stand + breedte hals
Als 1 niet goed ==> tekening is niet aantrekkelijk.
Als 2 en/of 3 niet goed ==> tekening overmaken.

Oefening
- ga recht voor de spiegel zitten
- papier ± 30 x 40
- groot tekenen
- tekenbord op schetshouding
==> minstens 10 maal proberen volgens voorbeeld figuur 12 jezelf te tekenen.
Duur schets: ± 10 minuten.
Opwerken schets
In het aangezicht zijn drie belangrijke delen:
- voorhoofd
- neus
- mond-kin gedeelte
In het ideale geval zijn die alle drie even groot.
In de praktijk komt dat zelden voor.
==> onderlinge verhoudingen goed opnemen.
Werkwijze (figuur 12)
- teken de onderlinge verhouding aan
- geef op de plaats waar schaduw valt een tint
- (kijk hiervoor door je oogharen, dan vallen de details weg) - geef in de schaduwvlakken iets meer tekening, zodat plaats en vorm van ogen, neus en mond iets duidelijker wordt.
==> tekening moet nu lijken, anders overdoen. - iets opwerken van de tekening






