Inhoud
Onze plaats in de ruimte 1 Onze plaats in de ruimte 2 De straat
Onze plaats in de ruimte 1
Als iemand van je weg loopt wordt hij steeds kleiner, totdat hij zover weg is van je, dat je slechts een stipje kan waarnemen.
Laten we deze mens nu in verschillende richtingen van ons weglopen, ontstaan er andere stipjes.
—> verbinden we deze stippen, dan ontstaat er een horizonale lijn, de HORIZON of GEZICHTSEINDER.
De hoogte voor de gezichtseinder wordt bepaald door de hoogte van het oog, dus hoe hoog we staan.
- staan we op een toren, dan is de gezichtseinder hoog en kunnen we veel van het landschap zien
- staan we laag, of zitten we bijvoorbeeld in een vlak landschap, dan ligt de gezichtseinder laag en kunnen we weinig van het landschap zien.
We weten dus dat, naarmate iemand verder van ons verwijderd is, deze kleiner lijkt.
Als we daarbij nog weten, dat de mens ongeveer even groot lijkt, als hij zich evenwijdig aan de grondlijn beweegt,
==> dan hebben we nu de sleutel voor de z.g. WIJKENDE SCHAAL.
Deze stelt ons in staat op elk punt van onze tekening de juiste grootte van een mens, op wat dan ook, te bepalen ==>
- als we de menshoogte en de plaats van de horizon weten, kunnen we op „x” een boom van ± 7 meter tekenen (4 x de menshoogte).
- omgekeerd: als we weten waar de horizon ligt en we weten dat de boom ± 7 meter hoog is, kunnen we de menshoogte in „y” bepalen.
Iets moeilijker wordt het, om voorwerpen die op regelmatige afstanden van elkaar tekenen, zoals palen.
—> Dit kan, als de horizonhoogte bekend is, als volgt langs constructieve weg bereikt worden:
- Teken de eerste paal en de wijkrichting voor de reeks
- Geef de afstand tot de eerstvolgende paal aan en bepaal de hoogte
- Trek nu vanaf de grondlijn een lijn door het punt, waar de tweede paal op de grond staat tot aan de horizon (WP)
- Verschuif de eerste paal zodanig (evenwijdig aan de grondlijn), dat de voet de wijklijn naar WP kruist
- Door de paal nu steeds evenwijdig aan de grondlijn en daarna weer diagonaal in de richting van WP te verschuiven, is het mogelijk om gelijke tussenruimten perspectievisch juist weer te geven.
|



|